Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13, 12 :2, en evenzoo in de Openbaring van Johannes, 1:13, 5 : 6, 14 :14, 19 :11—16, 22 :1. Er kan dus geen twijfel over bestaan, dat de hemelvaart, evengoed als de opstanding, van den beginne af een bestanddeel gevormd heeft van het geloof der gemeente. Trouwens, evenals de hemelvaart ongerijmd wordt voor wie de opstanding ontkent, even natuurlijk en vanzelf sprekend is ze voor hem, die met de gansche gemeente op grond van het apostolisch getuigenis aan Jezus' opstanding gelooft. Vandaar, dat de hemelvaart als zoodanig, als gebeurtenis op den veertigsten dag na de opstanding, zoo zelden in het Nieuwe Testament op den voorgrond gesteld, en ten nauwste met de opstanding verbonden wordt »). Maar het gaat daarom toch niet aan, om beide te vereenzelvigen, of het bericht aangaande de hemelvaart van Christus te verklaren uit de verhalen des Ouden Testaments over Henoch, Mozes en Elia, of uit de apotheosen in de Grieksch-Romeinsche mythologie, of uit de legende van Buddha 2). Want de vereenzelviging van opstanding en hemelvaart wordt door de natuur van Jezus' opstandingslichaam en door de beperkte reeks zijner verschijningen verboden, en de mythologische verklaring vindt weerspraak in de soberheid, waarmede in het Nieuwe Testament van de hemelvaart gesproken wordt. Hare beteekenis ligt daarin, dat Hij door den Vader is verhoogd en in de hemelen opgenomen is tot de tijden van de wederoprichting

aller dingen, Hd. 3 :21 3).

De hemelvaart is de intrede tot dien staat van heerlijkheid, welken Christus in den hemel deelachtig wordt en welke_ aangeduid wordt mét den naam van zitting ter rechterhand Gods. Ook deze belijdenis neemt in het Nieuwe Testament eene voorname plaats in. Zij is nauw verwant aan opstanding en hemelvaart, maar is er

1) De brief van Bnrnabas, c. 15, plaatst opstanding en hemelvaart op denzelfden Zondag (of op een verschillenden Zondag?); maar daaruit volgt nog niet, dat beide hetzelfde zijn. Het Evang. Petri, c. 5, laat de hemelvaart, op docetische manier, reeds geschieden in het oogenblik van het sterven aan het kruis, maar schijnt in c. 12, daar waar het manuscript afbreekt, eene verschijning van Jezus in

Galilea te willen verhalen.

2) Dobschütz, Ostern und Pfingsten. Eine Studie zu 1 Kor. 15. Leipzig 1903. A. Meyer, Die Berichte über Auferstehung, Himmelfahrt und Pfingsten, ihr geschichtl. Hintergrund und ihre relig. Bedeutung. Tübingen 1905. 11. Brandt, Die Evang. Geschichte und der Ursprung des Ohrist. 1893. Kirsopp Lakt, Ihe historical evidence for the resurrection of Jesus Christ. bl. 230 v.

3) W. Schmidt, Christl. Dogm. II 394 v. Art. Ascension in Hastings, D. B. I 160, en Dict. of Christ I 124. Meyer op Luk. 24: 51.

Sluiten