Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet eenzelvig mede en wordt er duidelijk van onderscheiden. Hd. 2 : 32—34, 1 Petr. 3 : 21, 22, Rom. 8 : 34. Deze zijne zitting ter rechterhand Gods had Christus reeds voorzegd, Mt. 19 : 28, 22 : 4-1, 25: 31, 26 : 64, en toen opstanding en hemelvaart hadden plaats gehad, wisten de discipelen van stonde aan, dat Hij gezeten was aan de rechterhand Gods, Hd. 2:34, 7:56; zij maken er in hunne brieven telkens melding van, Rom. 8: 34, Ef. 1 :20, Col. 3 :1, Hebr. 1: 3, 13, 8 :1, 10 :12, 12 : 2, 1 Petr. 3 : 22, Op. 3 : 21. In de uitdrukkingen is er soms een klein verschil. Nu eens wordt gezegd, dat de Yader Hem aan zijne rechterhand heeft doen zitten, Hd. 2: 30, Ef. 1:20, en dan, dat Hij daar zelf is gaan zitten, Mk. 16 :19, Hebr. 1:3, 8 :10, 10 :12, en er nu gezeten is, Mt. 26 : 64, Luk. 22:69, Col. 3:1, Hebr. 1:13; en dat gezeten zijn wordt in Hebr. 12:3 in het perfectum aangeduid en dus als een voortdurende toestand beschouwd. De plaats, waar Hij gezeten is, wordt aangewezen met de woorden: aan de rechterhand Gods (in den hemel) Mk. 16 : 19, Col. 3 :1, Ef. 1: 20, aan de rechterhand der kracht (Gods), Mt. 26 : 64, Luk. 22 : 69, aan de rechterhand der majesteit in de hoogste hemelen, Hebr. 1:3, op den troon Gods, Hd. 2 :30, aan de rechterhand des troons van God, Hebr. 12 : 2, aan de rechterhand van den troon der majesteit in de hemelen, Hebr. 3: 1. Meestal wordt gezegd, dat Hij daar gezeten is, maar soms heet het eenvoudig, dat hij daar is, Rom. 8: 34, 1 Petr. 3 :22, en ook komt de uitdrukking voor, dat Hij daar staat, Hd. 7 :56, dat Hij wandelt in het midden der gouden kandelaren, Pp. 2:1, en dat Hij bekleed is met een lang kleed en de borsten, als een dienstdoend priester, omgord heeft met een gouden gordel, Op. 1: 13.

Of de rechterhand Gods nu weer eene bepaalde plaats in den hemel aanduidt, valt met zekerheid niet te zeggen. Sommigen hebben dit gemeend, omdat de troon Gods toch weer in den hemel gedacht wordt en Christus als mensch aan plaats gebonden is '). Doch wij hebben te bedenken, dat wij, van Gods rechterhand sprekende, niet onjuist, maar toch op menschelijke wijze en in beeld ons uitdrukken, 1 Kon. 2 :19, Ps. 45 :10, Ps. 110 :1, Mt. 20 : 21. De Christelijke kerk is zich hier steeds van bewust geweest, en heeft van nadere bepaling der plaats van Christus' verhooging zich onthouden. Dit echter ligt in de zitting aan Gods rechterhand zonder twijfel opgesloten, dat Christus verheven is tot de hoogste macht,

') Meyer, op Mk. 16:19 en Ef. 1: 20.

Sluiten