Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Christus heeft n.1. volgens de Schrift objectieve, ook voor G-od geldende beteekenis. In het O. T. hadden de offers de bedoeling, om de zonden des offeraars voor Gods aangezicht te bedekken, LXX s^ikccGxsa&ai. Deze verzoening heeft nu wel nergens God tot rechtstreeksch object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3, 6:7, 10:17, 15 :15, 30, 19 : 22, Num. 15 : 28, 31: 50, en bedoelt, om door het bedekken der zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te stemmen, iXacrxëG&cci, IXaov noisiv, propitium reddere, placare. Evenzoo is Christus in, het N. T. iXaarWor, Rom. 3.25, llufffiog, 1 Joh. 2:2, 4:10; een barmhartig en getrouw hoogepriester met betrekking tot de dingen bij God, tig ro tXaaxeoüai rag uuaouug xov Xaov, Hebr. 2 :17 ; als hoogepriester heeft Hij met de offerande zijner volmaakte gehoorzaamheid de zonden van zijn volk bedekt en alzoo Gods toorn afgewend en zijne genade verworven. Wel is door de Socinianen, Remonstranten, Rationalisten en ook de meeste nieuwere theologen *) beweerd, dat God, wijl Hij liefde is, niet behoeft verzoend te worden en veeleer zelf de auteur der verzoening is. Maar dit berust voor een deel op misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert toch duidelijk, ook in het N. T., dat God toornt over de zonden, Rom. 1: 18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, en dat menschen als zondaren Gods vijanden zijn (in Rom. 5:10, 11:28 heeft het woord t'yiïom passieven zin en duidt het dus aan, dat wij van nature voorwerpen van Gods toorn zijn; in 11: 28 staat het tegenover dyanijroi, en m 5.9 is er sprake van een behouden worden van den toorn Gods). De verzoening is dus niet een-, maar tweezijdig; niet alleen moest de mensch met God, maar ook God met den mensch verzoend worden, in dien zin dat Hij, door Christus ais IXaauog te schenken, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10, zijn toorn aflegt en eene vrede-verhouding tusschen zichzelf en den mensch sticht, Rom. 5 : 9, 10, 2 Cor. 15 :18, 19, Gal. 3 : 13 2).

Dit is ook volstrekt niet daarmede in strijd, dat God liefde is en zelf den Christus tot eene verzoening voor onze zonden gegeven heeft.

l) Verg. bijv. Schleiermaclier, Chr. Gl. § 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II-' 230 v. Kaftan, Dogm. 460 enz.

--! Philippi, Comm. op Rom. 5 : 10. Sanday-Headlam, Comm. on the Epistle to the

Romans 5 1908 bl. 129. Lechler, Das apost. und nachapost. Zeitalter 3 1885 bl. 344.

Weiss, Bibl. Theol. des N. Test.3 1880 bl. 309. Stevens, Theol. of the New Test.2

1906 bl. 414. Adamson, art. Reconciliation in Hastings' I). B. IV 204—207 enz.

Sluiten