Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28, Ef. 2:11—22, Col. 2:21; physische, n.1. de overwinning der wereld, Joh. 16 : 33, van den dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2 :15, van de hel, 1 Oor. 15 :15, Op. 1: 18, 20:14, en van Satan, Luk. 10: 8, 11: 22, Joh. 14 : 30, Hebr. 2 : 14, 1 Oor. 15 : 55, 56, Col. 2 :15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op. 12:10, 20:2 enz. In één woord: de gansche herschepping, de volkomene herstelling van de door de zonde met schnld beladene, verdorvene en uiteengeslagen wereld en menschheid is de vrucht van Christus' werk. Objectief, principieel, in de sfeer van het recht heeft Hij die herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tusschen God en wereld de xaraklayïj gesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd — want het • gaat alles in vaste orde — de gemeente eens zonder vlek of rimpel aan den Vader voorstellen, het koninkrijk Gode overgeven en God alles in allen zijn, 1 Cor. 15:22—28.

403. In de theologie is deze rijkdom der weldaden van Christus steeds erkend. Door Christus, zeide Clemens Alex., is de aarde een Tcslayog ciyu&cov geworden. Men sprak van Christus als sponsor, mediator, redemptor, reconciliator, liberator, dispensator, salvator, medicus, dominus, pastor, rex enz., duidde het werk, door Hem tot stand gebracht, aan als ibeonoirt<siq, iïsicoffig, deificatio, vivificatio, salvatio, liberatio, redemptio, restitutio, purgatio, regeneratio, resurrectio enz., en trachtte soms al die weldaden ook eenigermate te classificeeren. Dit geschiedde bijv. in de bekende versregels: Propitians, purgans, redimens, ut victima, sponsor Salvavit, sic jura Dei verumque requirunt, of onder de hoofden sanctio foederis gratiae, reconciliatio, liberatio, adoptio, justificatio, sanctificatio, of onder die van expiatio, remissio, consummatio enz. 1). Sedert Anselmus kwam de onderscheiding op van satisfactio en meritum. Maar deze kan moeilijk als indeeling van de vruchten van Christus1 werk dienst doen, wijl satisfactio en meritum slechts logisch, en niet zakelijk verschillen. Hetzelfde werk van Christus is satisfactio, in zoover Hij zijne offerande Gode bracht en aan zijn eisch voldeed, en het is meritum, in zoover Christus daardoor bij God voor ons de zaligheid

*) Athanasius, de incarn 54. Gregorius Naz., Or. 2. Eusebius, Dem. Ev. IV 21. Augustinus, de pecc. nier. I 26. Thomas, S. Theol. III qu. 48. 49. Bonaventura, Brevil. IV I. Petavius, de incarn. XII c. 6. 7. Polanus, Synt. VI c. 18. Voetius, Disp. II 229 v. Mastricht, Theol. V 18, 22. Turretinus, de satisf. bl. 317. M. Vitringa, Doctr. VI 121 v.

Sluiten