Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwierfx). Beide begrippen stellen het werk van Christus ook te eenzijdig onder de categorie van werk en verdienste; het is veelmeer de vraag, wat Christus „verdiend" heeft, en hoe dit met zijne offerande in verband staat. In den nieuweren tijd heeft men daarom deze termen bijna geheel laten vallen en in plaats daarvan de vrucht van Christus' werk als Erlösung of als Versöhnung aangeduid.

De eerste omschrijving kwam vooral door Schleiermacher in eere; wel spreekt hij ook van eene nieuwe schepping, die door Christus tot stand gebracht wordt, maar deze valt hem toch met de Erlösung saam 2), en onder haar verstaat hij de mededeeling zijner zondelooze volkomenheid, de opname der geloovigen in de kracht van zijn Godsbewustzijn, welke niet magisch, noch empirisch, maar mystisch geschiedt door scheppende Goddelijke werkzaamheid, door de zelfopenbaring van Christus in zijne gemeente3). Daarnaast neemt Schleiermacher dan nog eene verzoenende werkzaamheid van Christus aan, daarin bestaande, dat Hij de geloovigen opneemt in de gemeenschap zijner ongestoorde zaligheid en hen door middel van zijne levensgemeenschap met Hem doet deelen in de vergeving der zonden 4). Ritschl daarentegen vat de werking van Christus saam onder rechtvaardiging en verzoening; de vruchten van zijn leven bestaan niet in Umstimmung van God uit een vertoornd rechter in een genadig Vader, niet in eigenlijke loskooping, niet in bevrijding van den dood 5), ook niet in het mystieke sterven en opstaan met Christus, want Rom. 6 is sterke symboliek en levert geen stof voor een dogma 6); maar Christus verzekert en waarborgt ons door heel zijn persoon en leven, dat God liefde is; Hij laat ons trots onze zonden toe tot de gemeenschap met God 7). De rechtvaardiging, welke Christus ons schenkt, is niet kwijtschelding van schuld en straf, niet toerekening van zijne gerechtigheid, maar wegneming van het schuldbewustzijn, en daardoor van de scheiding tusschen ons en

") Thomas, S. Theol. III qu. 48 art. 1 en 2. Petavius, de incarn. XII 9. Perrone, Prael. IV 311. Calvijn, Inst. II 17, 1. Yoetius, Disp. II 228. Mastricht, Theol. V 18, 14. 20. M. Yitringa, Doctr. VI 59. 62. Quenstedt, Theol. III 225. Ritschl, Rechtf. u. Vers. I - 283 enz.

2) Schleiermacher, Chr. Gl. § 89, 1. 2.

3) Schleiermacher, t. a. p. § 88. 100.

4) Schleiermacher, t. a. p. § 101.

6) Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 86. 208 v. 217 v. 221. III 439.

6) Ritschl, t. a. p. II 226 v.

7) Ritschl, t. a. p. III 506 v.

Sluiten