Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, allen gestorven zijn, dat wie verloren gaan, niet hebben willen gèlooven, dat wie gelooft, dat vrijwillig doet *), dat Christus een verzoening is voor de geheele wereld en alle dingen, hemelsche en aardsche, met elkander verzoend heeft 3). Maar dit alles bewijst hoegenaamd niets tegenover dit andere, door Augustinus even klaar en duidelijk uitgesproken, dat de heilswil Gods en de verzoening in Christus beperkt is tot de praedestinati. Ten eerste volgt dit reeds in het algemeen uit Augustinus' leer over de praedestinatie en over de genade 3); als het getal dergenen, die zalig zullen worden, eeuwig en onveranderlijk door God is bepaald en hun alleen de genade des geloofs en der volharding geschonken wordt, dan is daartusschenin de stelling niet meer te handhaven, dat Christus voor alle menschen hoofd voor hoofd heeft voldaan. Ten tweede vat Augustinus 1 Tim. 2:4 altijd op in beperkten zin; wel geeft hij van dien tekst verschillende verklaringen, nu eens, dat omnes qui salvi fiunt nisi ipso volente non fiunt 4), en dan, dat onder alle menschen te verstaan zijn alle praedestinati, die uit alle volken en klassen van het menschelijk geslacht zijn verkoren 5); maar overal, waar hij den tekst opzettelijk verklaart, verstaat hij hem in beperkten zin 6). En ten derde brengt hij den persoon en het werk van Christus telkenmale alleen met de verkorenen in verband. God riep door Christus populum credentium tot de adoptie. Christus heeft door zijne opstanding nos praedestinatos tot een nieuw leven geroepen, door zijn bloed justificandos peccatores vrijgekocht; omnis, qui Christi sanguine redemptus est, homo est, non tarnen omnis, qui homo est, etiam sanguine Christi redemptus est 7). Non perit unus ex illis, pro quibus Christus mortuus est ).

Hoewel het semipelagianisme spoedig de overhand kreeg, bleven er toch velen ook op dit punt aan Augustinus getrouw. Met beroep op 1 Tim. 2:4 zeiden de Semipelagianen, dat God alle menschen met gelijke liefde omvat en allen eene gelijke mate van genade toedeelt. Daarop antwoordde Prosper, dat omnium cura est Deo,

1) Petavius, de incarn. XIII c. 3.

2) Kükner, Augustins Anschauung von der Erlösungsbedeutung Christi 1890 bl. 62.

3) Verg. deel II 358 v., en voorts M. Vitringa, Doet. VI 147 v.

4) Epist. 107. de Civ. Dei XIII 23.

5) Enchir. 103. de corr. et gr. 14. c. Jul. IV 8.

«) Verg. Petavius, de Deo XI 7, 10. de incarn. XII 4.

T) Conf. IX 1, de trin. IV 13. de conj. adult. I 15.

8) Epist. 102 ad Evod. Verg. Wiggers, August, und Pelag. I 313.

Sluiten