Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook nog door Tapper, Estius, Sonnius en anderen in bescherming genomen r)

Maar naarmate het semipelagianisme in de Roomsche kerk en theologie veld won, kreeg deze voorstelling de overhand, dat God voluntate antecedente aller zaligheid wil en Christus voor allen liet voldoen, maar dat Hij in zijne voluntas consequens rekening hield met het goede of kwade gebruik, dat de menschen van hunne vrijheid en van de aangebodene genade gemaakt hebben 2). Yan ouds was dit reeds de belijdenis der Grieksche kerk geweest 8); en ofschoon Luther oorspronkelijk gansch anders had geleerd en de Formula Concordiae den universeelen heilswil Gods en het servum arbitrium van den mensch unvermittelt naast elkander liet staan, spoedig vond deze gedachte ook ingang in de Luthersche theologie; voluntate antecedente wil God aller zaligheid, maar voluntate consequente wil Hij die alleen van hen, wier geloof en volharding Hij vooruit heeft gezien 4). Deze kerken hadden echter alle in hare klare en vaste belijdenis van de triniteit, de Godheid van Christus en de voldoening nog een tegenwicht, zoodat het pelagiaansche beginsel niet onbelemmerd doorwerken kon. Maar dit veranderde bij de Socinianen, die al deze objectieve dogmata verwierpen, en later ook bij de Remonstranten. Arminius zelf en zijne medestanders wilden deze leerstukken eerst nog handhaven, en meenden dit ook te kunnen doen; het had den schijn, alsof zij de groote Christelijke waarheden vasthielden, en alleen tegen de Calvinistische overdrijvingen en buitensporigheden opkwamen. Maar dit bleek toch weldra anders 5). Het tweede hunner artikelen : over den dood van

J) Verg. Bivetus, Op. III 438. M. Yitringa, Doctr. VI 155—159.

2) Verg. deel II 361 v., en voorts Trid. VI c. 2 en 3. Catech. Rom. I 3, 7. lnnocentius X in damn. 5 propos. Jans. Bellarminus, de sacrif. missae I 25, de poenit. I 2, de amiss. gr. IV 4. Becanus, Manuale controv. III 1 qu. 1 Petavius, de incarn. XIII 14. Theol. Wirceb., Theol. IV 322. Scheeben, Dogm. III 356. Jansen, Prael. Theol. II 784 enz.

*) Damascenus, de fide orthod. II c. 29. Conf. orthod. qu. 34. 47.

4) Symb. Bücher, ed. Muller bl. 781. Gerhard, Loc. VII c. 6. Quenstedt, Theol III 311—324. Hollaz, Ex. bl. 745. Buddeus, Inst. theol. bl. 824. Verg. reeds deel II 366 v.

5) De Gereformeerden maakten daarom tusschen vroegere en latere, gematigde en consequente Remonstranten onderscheid. Op de vraag: an Remonstrantes sint haeretici? geeft Amesius ten antwoord: Remonstrantium sententia, prout avulgo ipsis faventium recipitur, non est proprie haeresis, sed periculosus error in fide, ad haeresin tendens. Prout vero a quibusdam eorum defenditur, est haeresis

Sluiten