Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ande bestaat er eene zeer groote overeenstemming. Want aan den eenen kant zijn allen het hierover eens, dat niet alle, doch alleen sommige menschen, hetzij deze nu weinige of vele zijn, de weldaden van Christus feitelijk deelachtig worden. En ter andere zijde erkennen allen, dat de offerande van Christus op zichzelve volkomen voldoende ware, om niet alleen sommige, maar om alle menschen te doen deelen in de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De universalisten zijn in de practijk dus allen de particulariteit der genade toegedaan ; en de particularisten belijden allen zonder uitzondering de universaliteit der offerande van Christus, wat haar innerlijke waarde betreft. Zelfs zij, die bezwaar hebben tegen de uitdrukking, dat Christus sufficienter voor allen, en efficaciter voor de uitverkorenen gestorven is, erkennen toch volmondig, dat de materia meriti van Christus volkomen voldoende is voor de verzoening van de zonden van alle msnschen; en wat zij willen, is alleen dit, dat de forma meriti, d. i. de verdienste van Christus, niet op zichzelve maar in ordine ad reprobos beschouwd, niet alleen niet efficax, maar ook niet sufficiens kan heeten 1). Het verschil loopt dus alleen over de vraag, of het de wil en de bedoeling Gods was, dat Christus zijne offerande bracht voor de zonden van alle menschen zonder uitzondering, dan wel alleen voor de zonden dergenen, die Hem van den Vader gegeven zijn 2).

Zoo gesteld, kan het antwoord haast niet twijfelachtig zijn. Want -ten eerste, brengt de Schrift doorloopend de offerande van Christus alleen met de gemeente in verband, hetzij deze door velen, Jes. 53 : 11, 12, Mt. 20 : 28, 26 : 28, Rom. 5 : 15, 19, Hebr. 2 : 10, 9 : 28, door zijn volk, Mt. 1: 21, Tit. 2 :14, Hebr. 2 : 17, < : 27, 13 . 12, door zijne schapen, Joh. 10:11, 15, 26v., Hebr. 13:20, door zijne broederen, Hebr. 2:11, door kinderen Gods, Joh. 11:52, Hebr. 12:13—15; door de Hem van den Vader gegevenen, Joh. 6:37, 39 44, 17:2, 9, 24, door zijne gemeente, Hd. 20 :28, Ef. 5:25, door zijn lichaam, Ef. 5:23, of ook door ons als geloovigen, Rom. 5:9, 8:32, 1 Cor. 5:7, Ef. 1:7, 2:18, 3:12, Col. 1:14, Tit. 2:14, Hebr. 4:14—16, 7 :26, 8:1, 9:14, 10:15, 1 Joh. 4:10, 1 Petr. 3 :18, 2 Petr. 1:3, Op. 1: 5, 6, 5 : 9, 10 enz., aangeduid wordt. Ritschl heeft hier terecht weer de aandacht op gevestigd; want al is het ook, dat hij hiertoe kwam door gansch andere overwe-

Voetius, Disp. II 254.

2 Cunningham, Histor. Theol. .11 334.

Sluiten