Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zalig worden. En daarom, uit diezelfde overweging, zegt zij, dat God geen lust heeft in den dood des goddeloozen, dat Hij wil, dat allen tot bekeering komen en zalig worden, dat Christus eene verzoening is en zijn leven gegeven heeft voor de wereld, en dat aan alle creaturen het Evangelie moet gepredikt worden. Als de universalisten hieruit afleiden, dat de voldoening gansch algemeen is, dan komen zij èn met de Schrift en met de werkelijkheid in strijd; want deze leeren beide als om strijd, dat uiet allen maar slechts velen met het Evangelie bekend worden en tot waarachtige bekeering komen. In al die plaatsen is er daarom sprake, niet van de voluntas beneplaciti, die ons onbekend is en geen regel van ons gedrag kan of mag zijn; ook niet van eene voluntas antecedens, die aan onze wilsbeslissing voorafgaat en daarnaar zich richt; maar van de voluntas signi, die ons zegt, waarnaar wij in het N. Verbond ons hebben te gedragen. Zij geeft ons het recht en legt ons den plicht op, om het Evangelie te brengen tot alle menschen zonder uitzondering. Een anderen grond dan dezen duidelijk geopenbaarden wil van God hebben wij voor het algemeene aanbod der genade niet noodig. Voor wie Christus bepaald gestorven is, hebben wij van te voren evenmin noodig te weten, als wie door God ten eeuwigen leven verkoren zijn. De roeping rust wel op particuliere basis, want zij behoort tot en gaat uit van het verbond, doch zij richt zich, in overeenstemming met Gods geopenbaarden wil en met de in zichzelve algenoegzame waarde van Christus' offerande, ook tot hen, die buiten het verbond zijn, opdat ook zij in dat verbond opgenomen worden en in hun geloof zelf het bewijs hunner verkiezing ontvangen 1).

In de tweede plaats houdt de Schrift in, dat de offerande en de voorbede van Christus, en zoo ook de verwerving en de toepassing der zaligheid onverbrekelijk samenhangen. De offerande is de grond van Christus' voorbidding; de laatste strekt zich daarom even ver als de eerste uit. Limborch erkent dan ook, intercessionem non esse

i) Verg. deel II 242—248. Terwijl men er vroeger op uit was, om Jezus tot een universalist te stempelen, die boven alle Joodsche beperkingen verheven waf, trachten velen Hem thans tot het particularistische standpunt van zijne volksgenooten terug te dringen. Harnack zegt bijv., dat, al vloeide de Heidenmissie later vanzelve uit het Evangelie voort, zij toch geheel buiten Jezus' horizon lag. Eene Anweisung zur Heidenmission kan dus ook door Hem niet gegeven zijn. De Evangeliën bevatten deze wel, maar ze is onecht en behoort niet tot de oudste overlevering, Mission und Ausbreitung des Christ. in den ersten drei Jahrh1906 I 31 v.

Sluiten