Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verheerlijking der schepping, de vernieuwing van hemel en aarde is eene vrucht van het kruis van Christus, Rom. 8: 19 v. i).

Ten vijfde hebben ook de engelen in den hemel nut en voordeel van het werk van Christus. Er is geen genoegzame grond voor de bewering, dat Christus voor hen de perseverantie en de heerlijkheid verwierf, ofschoon velen alzoo met beroep op Job 4: 18, 15:15, Ef. 1:10, Col. 1: 20, 1 Tim. 5 : 21, Hebr. 12 : 22, 23 hebben geleerd 2). Immers, engelen hebben voor zichzelf Christus niet noodig als Verzoener of Behouder; zij zijn wezenlijk onderscheiden van de menschen, die alleen naar G~ods beeld zijn gemaakt. Indien Christus voor hen de gratia en gloria verwerven moest, zou dit leiden tot de gedachte, dat de Zone Gods toch de menschelijke natuur, of, beter nog, de natuur der engelen had moeten aannemen, al ware de mensch niet gevallen 3). Toch doet eenvoudige ontkenning, dat Christus iets voor de engelen verdiend heeft, aan Ef. 1:10 en Col. 1:20 geen recht wedervaren 4). Er staat toch duidelijk, dat God alle dingen, %a nawee, d. i. niet menschen of engelen alleen, maar in het algemeen al het geschapene, de gansche schepping, de wereld, het heelal, nader nog omschreven door efoe ra èm ztjg yrjg sits xa sv roig ovQavoig, dat God die gansche schepping verzoend heeft door Christus, niet onderling, maar tot zichzelven, sïg aviov, en in Hem voor zichzelven wederom samen en tot eenheid brengt. De leer van de herstelling aller dingen vindt in deze teksten geen steun; zij wordt door heel de Schrift verworpen en heeft in de Christelijke kerk slechts nu en dan verdediging gevonden. Indien deze alzoo buitengesloten is, dan kunnen deze beide teksten niet anders verstaan worden, dan dat naar Paulus1 voorstelling de duivelen en de goddeloozen eenmaal ter hel worden verwezen, en dat in den nieuwen

l) Voetius, Disp. II 264. 265.

3) Augustinus, de cons. evang. 35, en velen met hem, Cvrillus, Gregorius, Bernardus, Diez, Valentia, Suarez enz. Voorts Calvijn op Ef. 1:10 en Col. 1: 20. Polanus, Synt. Theol. VI 27. Zanchius, Op. III 159—164. Bucanus, Inst. theol. VI qu 30. Davenant op Col. 1 :20. Walaeus, Synopsis pur. theol. XII 33 en Op. I 195 enz.

3) Verg. deel II 487 v., en voorts nog Lombardus, Sent. II dist. 5. III dist. 13. Thomas, S. Theol. I qu. 62. III qu. 8 art. 4. Petavius, de incarn. XII10. Becanus, Theol. schol. I 305. Quenstedt, Theol. I 476. Gerhard, Loc. XXXI § 42. Gomarus, op Col. 1 : 20. Voetius, Disp. II 263. H. Alting, Theol. probl. nova XII 24. Turretinus, Theol. El. XIV qu. 3. De Moor, Comm. II 353. M. Vitringa, Docfcr. III26 VI 178 v.

4) Kuyper, De Engelen Gods bl. 164 v.

Sluiten