Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar daarom heeft Hij in den staat der verhooging ook het Goddelijk recht, de Goddelijke aanstelling, de koninklijke macht en bevoegdheid ontvangen, om het werk der herschepping ten volle uit te voeren, al zijne vijanden te overwinnen, al de Hem gegevenen te zaligen en het gansche koninkrijk Gods te voltooien. Op grond van de ééne, volmaakte offerande, aan het kruis geschied, deelt Hij in overeenstemming met den wil des Yaders al zijne weldaden uit. Die weldaden zijn geene physische of magische nawerking van zijn aardsche leven en sterven; de geschiedenis van het Godsrijk is geen evolutionistisch proces. Het is de levende, de aan de rechterhand Gods verhoogde Christus die met bewustheid, met vrijmacht al deze weldaden uitdeelt, zijne verkorenen vergadert, zijne vijanden verwint en de wereldgeschiedenis heenleidt naar den dag zijner parousie. Hij is nog altijd in den hemel als middelaar werkzaam; Hij was niet alleen, maar is nog onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. Gister en heden is Hij dezelfde, en tot in eeuwigheid.

Er is natuurlijk wel een groot onderscheid tusschen het werk, dat Christus in zijne vernedering tot stand bracht, en dat, hetwelk Hij uitricht in zijne verhooging. Evenals zijn persoon na de opstanding in eene andere gedaante verscheen, zoo nam ook zijn werk een anderen vorm aan. Hij is thans geen dienstknecht meer, maar een Heer en Vorst, en zijn werk is thans geene offerande der gehoorzaamheid meer, doch een koninklijk heerschen, totdat Hij al de zijnen vergaderd en al zijne vijanden onder zijne voeten gelegd heeft. Desniettemin, het middelaarswerk wordt in den hemel voortgezet ; Christus voer niet op, om aan de rechterhand zijns Vaders eene stille, ledige rust te genieten, want evenals de Vader werkt Hij altijd, Joh. 5 :17. Doch Hij is den hemel ingegaan, om daar voor de zijnen plaats te bereiden, en hier op aarde hen te vervullen met de volheid, welke Hij door zijne volmaakte gehoorzaamheid verwierf. Wat Hij voor zichzelf en voor de zijnen als loon op zijn arbeid ontving, is niet te scheiden. Hij is rcavxa xca êv rraffiv, Col. 3:11. Het pleroma, dat in Christus woont, moet ook wonen in de gemeente; zij wordt vervuld slg nav ro nkr^muu tov ihtov, Ef. 3:19, Col. 2:2, 10. God is het, die Christus vervult, Col. 1: 19, en Christus is het, die op zijne beurt de gemeente vervult, Ef. 1:23. De gemeente kan daarom zijn pleroma heeten, datgene, wat Hij volmaakt en van zichzelven uit (nXrjqov[isvog), langzamerhand, Ef. 4:10, met zichzelven vervult en dat dus zelf allengs vervuld en

Sluiten