Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, Gen. 11:4. Natuurlijk verschilt de voorstelling van de verlossing en van den weg, die daarheen leidt, naar gelang van het kwaad, waarvan verlossing gezocht wordt1). Ook is het aan alle religie, in onderscheiding bijv. ook van de magie, eigen, om die verlossing te zoeken bij eene bovennatuurlijke goddelijke macht,, die helpen kan en wil, maar die zich daartoe niet dwingen laat, doch door offers, gebeden, ritueele plechtigheden en zedelijke handelingen gunstig gestemd en tot het bieden van hulp bewogen moet worden2). Maar toch valt in al deze godsdiensten schier immer de nadruk op het doen van den mensch; hij is het, die de G-odheid bevredigen en haar wet volbrengen moet. Hetzij de werken, die hij doen moet, een meer ceremonieel of een meer ethisch karakter dragen, hetzij ze meer positief of meer negatief van aard zijn, altijd is de mensch toch zijn eigen zaligmaker; alle godsdiensten, buiten de Christelijke, zijn autosoterisch. In de laagste godsdiensten is het besef van zonde schier geheel verloren en wordt verzoening,, vrede en geluk voornamelijk verkregen door magische handelingen en ritueele cerenoniën, schoon in eiken godsdienst toch ook het zedelijk handelen een plaats bekleedt; in de hoogere godsdiensten komen de zedelijke plichten dikwerf meer op den voorgrond te staan en wordt inzonderheid van hunne vervulling de zaligheid afhankelijk gemaakt.

Naarmate bij deze vervulling der zedewet de aardsche roeping van den mensch hooger of lager wordt gewaardeerd, ontwikkelt zich wederom eene practische of eene ascetische richting in deze zedelijke godsdiensten. In het Parzisme bijv. maakt de cultus slechts een betrekkelijk klein bestanddeel uit van den grooten strijd, die door ieder mensch tegen onreinheid en dood en duivel gestreden moet worden; want deze behoort zich uit te strekken over heel het leven, en bestaat niet alleen in menigvuldige wasschingen,. reinigingen, bezweringen, maar ook in oefening van allerlei deugden (eerlijkheid, waarheid, gerechtigheid, barmhartigheid enz.) en trouwe waarneming van het aardsche beroep: wie koren zaait, zaait heiligheid 3). In het Buddhisme daarentegen is de verlossing, wijl

Verg. boven reeds bl. 352.

2) Verg. het belangrijk artikel van E. W. Mayer, Zum Stand der irage nacb dem Wesen der Religion, Theol. Rundschau 1910 bl. 1—15. 45 63.

3) Ch. de la Saussaye, Lehrbuch der Religionsgesch.3 II 208 v.

Sluiten