Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook den wil boog, kon er daarom bij Pelagius geene sprake wezen. Wel sprak hij van genade, maar bij verstond daaronder alleen: a) bet posse in natura, de gave van bet kunnen willen, welke God aan ieder menseb scbonk, gratia creans, b) de objectieve genade van de prediking der wet of des Evangelies, en van bet voorbeeld van Christus, welke zich ricbtte tot bet verstand van den menseb en hem onderwees aangaande den weg der zaligheid, gratia illuminans, en c) de vergeving der zonden en de toekomstige zaligheid, welke aan den menseb, die geloofde en goede werken deed, geschonken zouden worden. De genade in den eerstgenoemden zin was dus aan alle menschen eigen; de genade in den tweeden zin was niet volstrekt noodzakelijk, maar diende alleen om den menseb de verwerving der zaligheid te vergemakkelijken; zij was geene gratia operans, maar alleen een adjutorium voor den mensch; zij werd ook niet aan allen geschonken, maar alleen aan zulken, die ze door het goed gebruik van bun natuurlijke krachten zich hadden waardig gemaakt; zij was geen gratia praeparans (excitans), noch ook eene gratia irresistibilis, welke veeleer een fatum sub nomine gratiae is; en eindelijk was zij niet noodig en werd ze door God niet tot elke goede daad, ad singulos actus, geschonken, maar alleen tot sommige; vele goede werken werden door den mensch zonder eenige genade verricht 1).

Het semipelagianisme matigde dit stelsel en leerde, dat de mensch door Adams zonde wel niet geestelijk dood, maar toch krank wasgeworden, dat zijne wilsvrijheid niet verloren, maar toch verzwakt was, en dat de mensch dus, om het goede te doen en de zaligheid te verkrijgen, den bijstand der Goddelijke genade van noode had. Doch die genade, welke het verstand verlicht en den wil ondersteunt, mag nooit losgemaakt worden van, maar moet steeds in verband beschouwd met de den mensch overgebleven wilsvrijheid. Genade en wil werken saam, en wel zoo, dat de genade naar Gods bedoeling universeel en voor allen bestemd is, maar feitelijk alleen ten goede komt aan hen,, die van hunne wilsvrijheid een goed gebruik maken. Nostrum est veile, Dei perficere. Soms moge nu, als bij Paulus, de genade voorafgaan ; in den regel is toch de wil de eerste ; het begin des geloofsen het volharden erin is zaak van den wil; de genade is alleen noodig voor de vermeerdering des geloofs; God helpt, die zicbzelven helpt.

') Wiggers, Aug. und Pelag. I 220 v. Warfield, Two studies in the history of doctrine. New-York 1897 bl. 7 v.

Sluiten