Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veniens iets meer verstaat dan de uitwendige roeping des Evangelies, die zedelijk inwerkt op verstand en wil, en welke ook door Pelagius c. s. erkend werd. Soms toch is de omschrijving dier genade zeer zwak; Trente identificeert ze met de roeping, qua nullis eorum existentibus meritis vocantur '). Maar toch blijkt Rome onder die gratia praeveniens eene inwerking des H. Greestes op verstand en wil te verstaan. De synode te Orange sprak van eene Sancti Spiritus infusio et operatio in nobis; Trente noemde ze excitans en omschreef ze door de woorden: tangente Deo cor hominis per Spiritus Sancti illuminationem2). Thomas zegt, dat die genade, waardoor een volwassene voor de rechtvaardigmaking zich voorbereidt, niet bestaat in aliqua habitualis gratia, maar wel in eene operatio Dei ad se animam convertentis 3), een auxilium Dei interius moventis sive inspirantis bonum propositum 4). Bonaventura noemt ze ook wel gratia gratis data en zegt, dat de mensch haar noodig heeft tot voorbereiding voor de rechtvaardigmaking en dat ze zijn vrijen wil excitat 5). Bellarminus omschrijft haar als eene gratia auxilii specialis, als eene motio of actio, qua deus hominem movet ad operandum 6), en stelt haar als speciale auxilium, gratia extrinsecus excitans et adjuvans tegenover de gratia intus inhabitans, de gratia infusa, Spiritus S. in nobis inhabitans 7). Ook was er over het wezen van die voorbereidende genade onder de theologen groot verschil; de Thomisten hielden ze voor eene qualitas physica supernaturaliter infusa, entitas quaedam physica; Molina, Lessius, Ripalda vatten ze op als eene illustratio mentis et inspiratio voluntatis; Suarez, Tanner e. a. dachten, dat zij niet iets geschapens was, maar dat de H. Geest zelf onmiddellijk den wil bewoog. Maar toch wordt zij algemeen opgovat als een gratuitum auxilium, donum Dei internum et supernaturale, als eene illustratio mentis en motio immediata voluntatis, welke niet alleen vires moralès maar ook vires physicas aan den mensch toevoegt en hem in staat stelt, zich voor de rechtvaardigmaking voor te bereiden 8).

Conc. Trid. ib.

2) Conc. Trid. ib. cf. can. 3.

3) Thomas, S. Theol. I qu. 62 art. 2 ad 3.

4) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 6. qu. 112 art. 2. III qu. 89 art. 1 ad. 2.

5) Bonaventura, Brevil. V 3.

6) Bellarminus, de gratia et lib. arb. I c. 2.

?) Bellarminus, de justif. I c. 13.

8) Verg. over dit verschil in opvatting van de gratia actualis o. a. Scheeben, Dogm. III 635—734. Heinrich, Dogm. Theol. VIII 250. Pohle, Dogm. II 343—346.

Sluiten