Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

infusa loone. x) Deze wordt hem geschonken in den doop en bestaat in de inwoning des H. Geestes, de instorting van bovennatuurlijke deugden, de gemeenschap aan de Goddelijke natuur, en wordt gevolgd door de vergeving der zonden, welke met haar de beide deelen der rechtvaardigmaking uitmaakt 2). De vergeving der zonden is bij Rome dus de negatieve keerzijde van de positieve vernieuwing des menschen ; vergeven wordt de zonde, omdat en in zooverre zij uitgedelgd is.

"Wanneer de mensch nu in den doop deze gratia infusa deelachtig is geworden, dan kan hij ze wel weder door doodzonden verliezen, en ook heeft hij voor andere, vergefelijke zonden boete te doen, niet alleen met contritio cordis maar ook met confessio oris en satisfactio operis ; doch in de gratia infusa heeft hij toch de bovennatuurlijke kracht ontvangen, om goede werken te doen en daardoor alle volgende genade, ja zelfs het eeuwige leven naar een meritum de condigno te verdienen. Want de goede werken, die hij doet, vloeien voort uit een bovennatuurlijk principe en zijn daarom een bovennatuurlijk loon waardig. Hieruit wordt het duidelijk, waar het deze Roomsche leer van de genade ten slotte om te doen is. De genade dient alleen, om den mensch het verdienen van de hemelsche zaligheid weder mogelijk te maken. Dat was in den grond zelfs bij Augustinus het geval. De genade, hoe zonder verdienste ook geschonken, bestond bij hem niet allereerst in de vergeving der zonden, maar in de wedergeboorte, in

l) Volgens Ripalda, Vasquez e. a. leerden de theologen vóór Trente over het algemeen, dat de mensch met zijne natuurlijke krachten zich wel positief voor de genade konden voorbereiden; alleen over het gevoelen van Thomas en over zijne opvatting van het facere, quod in se est, bestaat verschil. Na Trente is men echter aan deze uitdrukking meestal eene andere beteekenis gaan hechten. Tegenover Pelagianisme en semipelagianisme tracht Rome n.1. de volstrekte onverdienbaarheid der gratia prima vast te houden. Gratia Dei non secundum merita nostra datur, en wel noch naar een meritum de condigno noch naar een meritum de congruo, gelijk de verdienste gewoonlijk sedert Eek onderscheiden werd, Pohle, Dogm. II 401. Vandaar, dat men thans de uitdrukking: facere quod in se est, gewoonlijk zoo verklaart, dat de mensch, die van zijne natuurlijke krachten een goed gebruik maakt, zich negatief voor de genade voorbereidt, in dien zin, dat hij aan die genade geen obicem ponit. En sommigen zooals Vasquez, Glossner, verwerpen ook zelfs deze negatieve voorbereiding. Verg. Pohle t. a. p. II 400—412. Pesch, Prael. V 105—120. Heinrich, Dogm. Theol. VIII 264—274. Caesare. Theol. dogm. III 242. Mannens, Theol. dogm. III 84—89 enz.

-) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 113.

Sluiten