Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de instorting der liefde, die tot het doen van goede werken en alzoo tot het verwerven van het eeuwige leven in staat stelt. Accepit (homo) justitiam, propter quam beatitudinem accipere mereretur '). De verdiensten gaan niet aan de genade en het geloof vooraf, maar zij volgen er toch op 2). Credendo meritnm comparatur 3). Gratia praevenit meritum, non gratia ex merito sed meritum ex gratia; omnia merita praecedit gratia, nt dona Dei consequantur merita mea 4). Evenzoo zeide Ambrosius: Ipsa gratia meritur augeri, ut aucta mölteatur et perfici, voluntate comitante, non ducente, pedissequa non praevia 5).

Later, toen de leer van het beeld Gods als donum superadditum opkwam, werd dit nog erger. Het begrip der genade onderging toen eene belangrijke wijziging. De genade werd iets, dat niet alleen voor den gevallen mensch van noode was; maar ook Adam moest door haar van gewoon, natuurlijk mensch tot beeld Gods verheven worden. Na den val krijgt de genade dus tweeërlei taak, ten eerste om den mensch van de zonde te verlossen (gratia sanationis, medicinalis), en ten tweede, om hem op te heffen tot de bovennatuurlijke orde (gratia elevans 8). Voor het eerste is de genade slechts toevallig, slechts in zedelijken zin noodzakelijk; voor het tweede is zij absoluut en physisch noodzakelijk. De laatste dringt daarom de eerste hoe langer hoe meer op den achtergrond; de ethische tegenstelling van zonde en genade maakt plaats voor de physische van natuurlijk en bovennatuurlijk. Onder genade verstaat de Roomsche kerk niet, of althans niet in de eerste plaats, de vrije gunst Gods, waardoor Hij de zonden vergeeft, maar zij denkt daarbij allereerst aan eene den mensch ingegoten qualiteit, waardoor hij de goddelijke natuur deelachtig wordt 7), aan eene op magische wijze, door bemiddeling van priester en sacrament, in een natuurlijk mensch ingestorte, bovennatuurlijke, geschapene, hyperphysische kracht, welke hem opheft tot de bovennatuurlijke orde, en hem in staat stelt, om door goede werken, alle volgende genaden en aan het einde ook de hemelsche zaligheid ex condigno te verdienen.

*) Augustinus, de trin. XIV 15.

2) ad Simplic. I qu. 2.

3) 83 qu. qu. 68.

4) Augustinus bij Lombardus, op Ef'. 2:4—10.

6) Ambrosius bij Lombardus op Kom. 5:1, 2.

6) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 2.

>) Gratia secundum se considerata perficit essentiam animae, inquantum participat

Sluiten