Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te maken. Hij treedt als middelaar niet af, voordat Hij zijne gemeente zonder vlek of rimpel aan den Vader voorgesteld heeft. De toepassing des lieils is een even wezenlijk bestanddeel van de verlossing als de verwerving. Dempta applicatione, redemptio non est redemptio. Christus zet daarom in den hemel zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid voort. De toepassing des heils is zijn werk; Hij is de handelende; Hij deelt zichzelf en zijne weldaden door eene gratia irresistibilis en inamissibilis aan de zijnen mede. Ook de soteriologie is theologisch te beschouwen, als een werk van Vader, Zoon en Geest; ook daarin gaat het om de eere G-ods, om de handhaving en openbaring van al die deugden Gods, welke door de zonde aangerand en geschonden zijn. Het is de wil Gods, om in de gemeente van Christus de wereld en de menschheid uit de macht des satans te verlossen en ze eeuwiglijk te stellen tot een toonbeeld van zijn wijsheid en macht, van zijne heiligheid en genade. Zoo zeker als de herschepping objectief in Christus plaats vond, zoo zeker moet ze ook subjectief door den Heiligen Geest in de gemeente worden uitgewerkt.

Maar gelijk de verwerving der zaligheid door Christus verbondsgewijze, dat is door Christus als middelaar en hoofd des verbonds, plaats had, zoo moet ook op die zelfde wijze hare toepassing geschieden. Ten eerste mag daarom de toebrenging der uitverkorenen niet individualistisch en atomistisch worden gedacht; want de verkorenen zijn immers allen eeuwiglijk aan Christus gegeven, zijn in het verbond begrepen, worden te hunner tijd uit Christus, als het lichaam met al zijne leden uit het hoofd, geboren, en al zijne weldaden deelachtig gemaakt. De gemeente is een organisme, geen aëgregaa^j het geheel gaat bij haar vóór de deelen. Sommigen Gereformeerden behandelden daarom zelfs de leer der kerk vóór die des heils x). Dit behoeft niet, omdat de Gereformeerde theologie in de leer van het genadeverbond, welke dikwerf in het begin der soteriologie of nog vroeger vóór de leer van den persoon en het werk van Christus behandeld werd, dat voordeel bezit, dat genoemde theologen met hunne vooropstelling van de leer der kerk beoogen. Bovendien brengt deze orde van behandeling licht eene verwarring van de kerk als lichaam van Christus met die als instituut tot stand, en leidt er dan toe, om aan de laatste eene waarde voor

') Wollebius, Theol. c. 21—27. Kecliermann, Syst. Theol. 1603 bi. 370. Brakel, Eedel. godsd. I c. 24—29 e. a.

Sluiten