Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het eigen, een grooter genegenheid te toonen nfor that extreme they go half-way to, than for that which they go half-way from 1)." En zoo traden Amyraldisme en Arminianisme in Engeland al spoedig met elkander in verband, en gaven het aanzijn aan die voorstelling van de heilsorde, welke als de neonomiaansche bekend staat.

Met dezen naam wordt in het algemeen dat gevoelen gekenschetst, dat niet in de toegerekende gerechtigheid van Christus, maar in de eigen, oprechte, schoon onvolmaakte gerechtigheid van den geloovige den grond voor zijne rechtvaardigmaking stelt. Christus heelft n.1. door zijn lijden en sterven voor de zonden van alle menschen voldaan, voor hen allen de zaligheid mogelijk gemaakt, en allen gebracht in een „salvable state". Deze bestaat daarin, dat, terwijl de oude wet, de wet van het werkverbond, van ieder eene volkomene gerechtigheid vorderde, Christus nu „a new law", eene wet der genade heeft ingevoerd, welke met geloof en bekeering, met eene oprechte, zij het ook onvolmaakte, gehoorzaamheid van den berouwvollen zondaar tevreden is. Het werk van Christus mag daarom ook nog wel onze wettelijke gerechtigheid heeten, omdat Hij daardoor aan de oude wet heeft voldaan en haar afgeschaft heeft; op dat werk mogen wij zelfs pleiten, als de oude wet op ons hare aanspraken doet gelden. Maar de evangelische gerechtigheid, welke de grond van onze rechtvaardigmaking uitmaakt is eene andere; zij bestaat in onze gehoorzaamheid aan de nieuwe wet, dat wil zeggen, in ons geloof en onze beheering 2). Dit neonomianisme vond veel instemming, maar het ontmoette ook sterke bestrijding bij hen, die allengs den naam van antinomianen ontvingen. Maar deze naam is hun door de tegenstanders ten onrechte opgelegd; zij waren, indien men zoo wil, antineonomianen, maar verdienden volstrekt niet den naam van wetbestrijders. Integendeel zij namen het met de wet veel ernstiger dan de neonomianen, die zij bestreden. Terwijl dezen toch de wet van het werkverbond voorstelden als eene ordening, die tijdelijk was, aan welke Christus niet ten volle, in plaatsvervangenden zin, had voldaan, welke thans

x) James Buchanan, The doctrine of justification bl. 173.

2) George Buil, Harmonia Apostolica 1670. Cave, Antiquitates apoBtolicae (cf. daartegen Witsius, Misc. Sacr. II 668—751). Hoadley, Terms of acceptance with God 1727. Dan. Williams, Gospel truth stated and vindicated 1692. Bichard Baxter, Justifying righteousness en vele andere werken. John Goodivin, The banner of justification displaved. B. Woodbridge, The method of grace in the justification of sinners 1656.

Sluiten