Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leert ons alle dingen als noodzakelijk kennen en verlost ons van de tristitia, waaronder wij anders lijden x); zij doet ons inzien, dat tristitia, spes et metus, commiseratio, humilitas, poenitentia, cognitio mali, meditatio mortis het leven onderdrukken en dus niet goed kunnen zijn 2); zij leert ons alles beschouwen sub specie aeternitatis, schenkt vrede en ongestoorde rust, valt met de liefde tot God, den amor intellectualis samen, en verwacht geene zaligheid als loon der deugd, maar geniet in de deugd zelve de zaligheid 3). De regel, dat klaarheid de maatstaf der waarheid was, kwam daarna in de Aufklarung tot heerschappij. Voorzoover het toenmalige rationalisme nog aan eene bovennatuurlijke openbaring vasthield, vatte het deze op als eene leer, die de kennis der rede verhelderde en aanvulde en wier credentiebrief vooraf door de rede onderzocht moest worden 4); in gelijken zin werd over de genade geoordeeld; als deze nog noodzakelijk was, werd ze alleen geschonken aan hem, die zijn best deed, facit quod in se est, of werd zij in voldoende mate aan ieder mensch geschonken, om dan af te wachten, welk gebruik hij van haar maken zou 5). Maar het consequente rationalisme verwierp alle bijzondere openbaring en genade; het maakte den individueelen mensch, zoowel in zijn verstand als in zijn wil, onafhankelijk, hij moest zijn eigen inzicht volgen en als vrij redelijk wezen zich handhaven tegenover alle uitwendige autoriteit'; verlichting des verstands en zedelijke verbetering waren de weg tot de zaligheid 6).

Dit rationalisme werd door Kant van zijn voetstuk gerukt. Om voor het geloof eene plaats te bekomen, onderwierp hij de kennis der rede aan eene scherpe critiek en beperkte haar tot de zinnelijkwaarneembare wereld. Behalve eene theoretische, heeft de mensch echter ook eene practische rede, die hem aan de zedelijke wereldorde bindt en hem onvoorwaardelijk tot het doen van het goede verplicht. Met de zedewet is echter terstond de vrijheid gegeven, voor welke er wel is waar in de zinlijk-waarneembare wereld geene plaats is, maar die toch heerscht in de daarachter en daarboven

1) Eth. V prop. 6.

2) Eth. IV prop. 41. 47. 50. 53. 54. 64. 67.

3) Eth. V prop. 1—42.

4) Zie bijv. Leibniz, Système de théologie. Louvain 1845 bl. 13.

Leibniz, Théodicée I 95: cette maxime: quod facienti quod in se est, non denegatur gratia necessaria, me parait d'une vérité éternelle.

6) Wegscheider, Inst. Theol. § 152.

Sluiten