Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tegenover deze op het subject gebouwde rechtvaardiging ging Iiitschl weer naar den persoon van Christus terug en zocht in zijn werk den grond der vergeving. Wel niet in dien zin, dat zij door Christus verworven was en in eene verandering van Gods gezindheid bestond, want God is eeuwige liefde, en straffende gerechtigheid is er bij Hem niet. Maar Christus heeft door zijne volmaakte beroepstrouw, door zijne onafgebrokene gemeenschap met God, door zijne volkomene overgave aan Gods wil toch verkondigd en bewezen, dat God liefde is, dat Hij niet toornt of straft, maar vergeeft. Dit nu was noodig, niet omdat God ver van de menschheid, maar omdat de menschheid, door hare zonde, wélke eigenlijk onwetendheid, geene objectieve schuld, maar subjectief schuldbewustzijn is, verre is van God. Daarom heeft Christus tot in den dood toe Gods liefde verkondigd en, Gods doel met de menschheid tot het zijne makende, een rijk Gods, eene gemeente gesticht, in welke Hij dat bewustzijn heeft overgeplant, dat God liefde is en de zonde vergeeft, en dat zij, zonder dat hare zonde haar behoeft te hinderen, in de gemeenschap met God leven kan. De rechtvaardiging is daarom bij Ritschl een synthetisch oordeel, niet op groDd van de goede werken uitgesproken, maar aan die goede werken voorafgaande ; eerst moet toch bij den mensch de vreeze voor God als den rechter plaats maken voor het bewustzijn van zijne gemeenschap, eer hij goede werken doen en zijne zedelijke roeping vervullen kan. Voorts is die rechtvaardiging ook geene uitspraak over, geene ervaring van den individueelen geloovige, maar zij is een goed der gemeente, die weet, trots hare zonden, in gemeenschap met God te staan; zij valt met de stichting der gemeente zelve saam 1). De bijzondere personen worden deze weldaad der rechtvaardiging alleen deelachtig, door zich aan te sluiten bij de gemeente en ze zich toe te eigenen in het geloof. Dat geloof is vrij 2), de verkiezing heeft ook niet individueele menschen, maar de gemeente tot object 3). Dat geloof wordt ook niet magisch gewerkt, maar de opvoeding is de gewone vorm, waarin iemand tot het geloof komt 4). Het bestaat wezenlijk in vertrouwen, is onafhankelijk van historisch onderzoek en zijn resultaten, en berust op een diepen indruk, die

i) Ritschl, Rechtf. u. Vers. III - 2f>—131. Kaftan, Dogm. bi. 493 v. Schultz, Grundriss der evang. Dogm. § 52.

-) Ritschl, t. a. p. bl. 536.

3) Ritschl, t. a. p. III 114.

4) Ritschl, t. a. p. III 555.

Sluiten