Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonnen door de macht der eerste; maar zoodra en in dezelfde mate als de macht der zonde wordt gebroken, valt de tegenstelling tusschen God en mensch weg. Het is Gods Geest, die met onzen Geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik in het vleesch leef, leef ik door het geloof des Zoons van God. God is het, die in ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, en die zelf ons onze zaligheid doet uitwerken met vreeze en beving. Zoover is het er vandaan, dat deze theologische beschouwing een goddeloos leven zou kweeken, dat zij alleen de realiteit van een nieuw Christelijk leven waarborgt, de geloovigen van de vastheid hunner zaligheid verzekert, de zegepraal van het rijk Gods onfeilbaar belooft, en het werk des Vaders en des Zoons in dat van den Heiligen Geest, de voltooiing erlangen doet. Het pelagianisme maakt alles wankel en onvast, zelfs de zegepraal van het goede en de triumf van het Godsrijk, omdat het alles ophangt aan de onberekenbare willekeur van den mensch. Opkomende voor de rechten van den mensch, treedt het de rechten Gods met de voeten en houdt voor den mensch slechts het recht der willekeur over. Maar de Reformatie, opkomende voor de rechten Gods, heeft daarin ook weer het recht des menschen tot erkenning gebracht; want ook hier geldt het woord der Schrift: die Mij eeren, zal Ik eeren, maar die Mij' versmaden, zullen licht geacht worden. De theologische beschouwing der heilsorde neemt al het goede in zich op, dat in de anthropologische verscholen ligt; maar het omgekeerde heeft niet plaats. Wie van God uitgaat, kan ook den mensch, als zijn redelijk en zedelijk schepsel, ten volle tot zijn recht doen komen; maar wie van den mensch uitgaat en eerst voor zijne rechten en vrijheden zorg draagt, eindigt altijd met het beperken van Gods macht en genade.

429. Alle weldaden des verbonds, welke Christus verwierf en de Heilige Geest toepast, kunnen samengevat worden onder den naam van genade. Van genade kan echter gesproken worden in verschillenden zin. Ten eerste kan zij aanduiden de onverdiende gunst (benevolentia Dei), welke God aan zijne schepselen, inzonderheid aan menschen als zondaren, bewijst; als zoodanig kwam ze reeds vroeger in de leer van Gods deugden ter sprake 1). Vervolgens

i) Verg. deel II 209. In het werk van Dieckmann, Die christl. Lehre von der Gnade. Berlin 1901 komt het Bijbelsch begrip van genade volstrekt niet tot zijn recht. De auteur leidt n.1. de genade Gods tot zijne algenieene goedheid terug,

Sluiten