Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarom leidt ze ook tot Hem henen, en dient tot zijne verheerlijking !).

430. Onder den algemeenen naam der genade zijn vele bijzondere "weldaden begrepen. De Schrift is onuitputtelijk in het opsommen der zegeningen, die door Christus verworven zijn en door den Heiligen Geest aan de gemeente worden medegedeeld, zoodat de theologie er ten allen tijde verlegen mede was, om ze volledig en in eene geregelde orde te behandelen. In de Roomsche dogmatiek werd het allengs regel, om al de hier te bespreken weldaden onder den naam van genade samen te vatten, en ze over drie hoofdstukken (gratia actualis, gratia habitualis en fructus gratiae) te verdeelen. De heilsorde draagt hier het karakter van eene „hierarchisch-kirchliche Ordnung", volgens welke de priester door middel van het sacrament de genade in het hart der geloovigen instort, herstelt en vermeerdert; de genade gaat den weg der sacramenten langs 2). De Hervorming, welke uit de ervaring der wedergeboorte en bekeering haar aanvang nam, vestigde van den beginne af haar aandacht veel meer op de geloovigen en op den weg, waarlangs zij tot de zaligheid geleid werden, dan op het instituut der kerk met hare sacramenten. Ze sprak daarom niet meer van de genade als een goed, dat door de kerk werd medegedeeld, maar handelde van het werk des Heiligen Geestes, waardoor de weldaden van Christus aan de leden van zijn lichaam werden toegepast. Ofschoon enkelen daarbij nog de leer der kerk en der genademiddelen aan de behandeling van de heilsorde lieten voorafgaan 3), volgden de meesten toch de omgekeerde orde; het organisme ging immers logisch aan het instituut vooraf, het genadeverbond omvatte de geloovigen en hun zaad, en dit zaad der kerk werd juist op grond daarvan, dat het tot het genadeverbond behoorde, door den doop in de institutaire kerk

') Verg. over de Gereformeerde opvatting van de genade: Zanchius, Op. II 342. VII 266. 354. Polanus, Synt. II c. 21. Martyr, Loei Comm. hl. 248. Perkins, Werken I 799 v. Twissus, Op. I 685 v. Junius, de natura et gratia, Op 1302—305. Gomarus, de gratia conversionis, Op. I 85—126. De, Moor, Comm. I 670. M. Vitringa, Doctr. III 173 enz.

2) Scliultz, Der ordo salutis in der Dogm., Th. Stud. u. Krit. 1899, 3 bl. 356 v. ®) Verg. boven bl. 595. In den nieuweren tijd wordt deze orde gevolgd door Von Oettingen, Luth. Dogm. III 317 v. Kahler, Wiss. der chr. Lehre 3 bl. 384 v. Kaftan, Dogm. § 61 v. Haring, Der Chr. Glaube bl. 462 v. lieischle, Ohr. Glaubenslehre bl. 109 v. enz.

Sluiten