Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vernieuwing des menschen naar G-ods beeld x). Anderen onderscheidden in de roeping eene vocatio inefficax et efficax 2), of eene vocatio esterna en interna 8), en zagen in de vocatio efficax of interna den aanvang van het nieuwe leven. Nog anderen gaven daaraan den naam van conversio, regeneratio, tractio, resuscitatio, en hechtten aan deze woorden dan meestal een engeren zin, dan waarin zij vroeger wel gebruikt waren 4). Verschillende omstandigheden drongen de Gereformeerde theologie, om bij de toepassing van de heilsweldaden nog tot achter het geloof terug te gaan. Volgens de Anabaptisten waren de kinderen der geloovigen,, zoolang zij nog niet tot het oordeel des onderscheids gekomen waren en metterdaad in Christus gelooven konden, van de weldaden des genadeverbonds en alzoo van het voorrecht des doops verstoken. Tegenover hen had de Reformatie te verdedigen, dat de kinderen der geloovigen, schoon nog niet actu kunnende gelooven, toch het beginsel en de „hebbelijkheid" des geloofs deelachtig waren en alzoo behoorden gedoopt te wezen. Stervende gingen zij dus niet verloren, maar werden zalig evengoed als de volwassen geloovigen. Deze laatsten kwamen bovendien dikwerf in toestanden, waarin zij geen actueel geloof oefenden of zelfs konden oefenen, maar waarin zij toch het vermogen des geloofs behielden. En voorts was naar de eenstemmige belijdenis der Hervorming de mensch van zichzelven onbekwaam, om te gelooven of zich te bekeeren; geloof en bekeering moesten dus vrucht zijn van eene almachtige werking des H. G-eestes, vruchten van een zaad, dat door dien Geest in de harten was geplant. Zoo zag men zich om verschillende redenen genoodzaakt, om tusschen de werking des H. Geestes en de vrucht van die werking, of met andere woorden tusschen het vermogen en de daad des geloofs, tusschen de bekeering in passieven en in actieven zin, of nog anders tusschen wedergeboorte in enger zin en geloof (met bekeering in actieven zin) onderscheid te maken. Wedergeboorte werd nu de naam voor die weldaad, welke in de instorting van het allereerste beginsel des nieuwen levens bestond,

!) Calvijn, Inst. III c. 2. 8, Beza, Tract. theol. I 671. Junius, Theses theol. 34, 1. Ned. Geloofsbel. art. 22.

2) Sohnius, Theol. Synopsis I 72. Methodus Theol. I 184 v. Petrus Martyr, Loei O. bl. 246 v.

3) Musculus, Loei C. bl. 647. Can. Dordr. III IV 6—10.

4) Wollebius, Theol. Christ. c. 28. Maresius, Syst. Theol. loc. XI. Can. Dordr. III IV 11—12.

Sluiten