Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ging als zoodanig aan het geloof vooraf; gratia regenerationis prior in nobis est quam fides, quae illius est effectus 1). Over den tijd dier wedergeboorte bleef daarbij verschil van gevoelen bestaan; terwijl Roomschen, Lutherschen en vele Engelsche theologen ze bij alle kinderen lieten plaats hebben in den doop (baptismal regeneration), zeiden de Gereformeerden, dat de genade der wedergeboorte aan de nitverkoren kinderen des verbonds geschonken werd óf reeds vóór den doop, öf onder, öf na, öf ook wel zonder nadere bepaling vóór, onder of na den doop 2).

In betrekking tot de boven in de tweede plaats genoemde verandering valt het volgende op te merken. Als de resipiscentia in wezen van de poenitentia verschilde, dan behoorde zij vanzelve op eene andere plaats te staan, dan die aanvankelijk, vooral door de Luthersche theologen, daaraan toegewezen werd. De Gereformeerden ontkenden niet, dat velen van degenen, die zalig worden, eerst op lateren leeftijd worden wedergeboren en bekeerd; zij namen aan, dat in dit geval dikwerf allerlei ervaringen en werkzaamheden, zooals het ter kerk gaan, het aanhooren van de prediking des Evangelies, het kennen van den wil Gods, het gevoel van zonde en ellende, de vrees voor straf, de behoefte aan verlossing, de hope op vergeving enz. aan de wedergeboorte vooraf kunnen gaan; en zij durfden in dezen zin zelfs spreken van eene gratia praeparans s). Maar in den regel had de wedergeboorte (in engeren zin) bij de kinderen des verbonds in de jeugd en vóór de jaren des onderscheids plaats en ging zij dus aan het geloof en de bekeering (in actieven zin) vooraf. Dan behoefde deze bekeering echter ook niet altijd, gelijk het Piëtisme en het Methodisme dit later verlangden, cum notabili concussione et violenta tractione gepaard te gaan, maar kon zij assiduo, successive et suaviter geschieden; dan was het ook niet noodig, dat iemand duidelijk kennis droeg en een helder verslag kon geven van de wijze en den tijd zijner bekeering 4), gelijk bijv. Wesley wist, dat deze bij hem den 24st™ Mei van het jaar 1738 's avonds te kwart voor negen uur plaats had. Dan was zij niet samengetrokken op één punt des tijds, maar breidde zij zich over heel het Christelijk leven uit. Dan kon ze eindelijk ook

') Polanus, Synt. Theol. bl. 467.

2) Verg. Voetius, Disp. II 408 v. Witsius, Misc. S. II 614. 627. M. Vitringa, Doctr. III 80. Hillenius, aangehaald in mijn: Roeping en Wedergeboorte bl. 122 v.

3) Verg. hetgeen hierover later bij de roeping gezegd -wordt.

4) Voetius, Disp. II 415. 460.

Sluiten