Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van beide: de religieuze verschijnselen zijn enkel en alleen psychologisch en dus een waan (Feuerbach), of zij rusten in eene realiteit, die er achter ligt. Zelfs de moderne theologen en philosophen, Biedermann, Pfleiderer, Von Hartmann, Drews enz., nemen nog zulk een Realgrund aan. Het oneindige woont in den mensch en werkt in en door hem. Maar omdat er geen eigenlijke openbaring van God is in woord en daad, weten wij in strikten zin niets van Hem. Wij voelen Hem alleen in ons hart, en wat wij voelen, vertolken wij in onze godsdienstige voorstellingen, die slechts eene symbolische waarde hebben. De openbaringsgedachte is dan wel een noodzakelijk product der religie, maar er is geene openbaring, die als feit aan de religie ten grondslag ligt. Vandaar dat ook op dit standpunt alle religieuze verschijnselen (voorstellingen, aandoeningen enz.) slechts eene psychologische waarde behouden, en de realiteit der religie alleen gezocht wordt in een vaag en ondefinieerbaar „wezen" der religie. De religie met al haar voorstellingen, aandoeningen en handelingen is alleen in hare realiteit te handhaven, wanneer zij in openbaring rust; en die openbaring doet dan meteen den maatstaf aan de hand, waarnaar de religieuze verschijnselen (bekeering, geloof, gebed enz.) beoordeeld kunnen worden x).

432. In onderscheiding van de psychologie der religie, die slechts eene gebrekkige beschrijving van de subjectieve vroomheid geven kan, heeft de dogmatiek uiteen te zetten, welke de heilsorde is naar het woord en de gedachte Gods. De kennis van het Christelijk leven in zijn ontstaan en ontwikkeling kan er zonder twijfel toe bijdragen,

*) Met wijziging en aanvulling overgenomen uit mijne boven bl. 648 genoemde verhandeling over de Psychologie der Religie. Zie voorts voor de beoordeeling van deze jonge wetenschap het werk van Dr. Geelkerken bl. 273 v. en verder o. a. nog J. Bessmer, Die Theologie vom Standpunkte der funktionellen Psychologie, St. aus Maria Laach 1906 bl. 154—164. Linwurzky, Die Religionspsychologie ein neuer Zweig der empir. I'sych., ib. 1910 bl. 505 — 519. Gutbei let. Psychologische Religion, Der Kampf um die Seele 1903 bl. 387 v. Wundt, Völkerpsychologie II 3 bl. 732 v. Scheel, Die moderne Religionspsvch., Zeits. £. Th. u. K.

1908 bl. 1—38. E. W. Mayer, Ueber Religionspsych., ib. 1908 bl. 293—324. W. Sclimidt, Die verschiedenen Typen relig. Erfahrung und die Psychologie. Gütersloh 1908. G. Daxer, Ueber die relig. Erfahrung und die Erfahrungstheologie, Th. Stud. u. Krit. 1910 bl. 138—148. F. Niebergall, Die Bedeutung der Religionspsychologie für die Praxis in Kirche und Schule, Zeits. f. Th. u. K.

1909 bl. 411—474 enz. -

Sluiten