Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der geloovigen en met hun doop in het gedrang. Om daaraan te ontkomen, sloeg men verschillende wegen in; men grondde den doop van de kinderen der gemeente op het geloof der ouders of der kerk, op hun toekomstig geloof, op het niet nader omschreven verbond der genade, waarin de kinderen met hunne vaders begrepen waren, op de met de voorbeelden van Johannes en Jezus geillus» treerde gedachte, dat de Heilige Geest in de harten van kinderen vóór hun bewustzijn en vóór hunne geboorte werken kan, op de in het geloof aan de belofte van het genadeverbond aangenomene werkelijkheid, dat de H. Geest in hun hart de hebbelijkheid des geloofs en alzoo de wedergeboorte (in engeren zin, als het allereerste levensbeginsel) gewrocht had *). Dikwerf komen bij de theologen, o.a. bij Calvijn 2), verschillende van deze redeneeringen naast elkander voor, zonder dat eene ervan tot leidende gedachte verheven wordt. Het laatste gevoelen van eene voorafgaande wedergeboorte kreeg nog daardoor steun, dat men, zoodra geloof en bekeering in verband met het diep bederf der menschelijke natuur werden ingedacht, tot eene verborgene, inwendige werkzaamheid des Heiligen Geestes

1) Verg. hierbij de nagelaten dogmenhistorische studie van G. Kramer, docts. in de Godg. aan de Vrije Universiteit, over Het Verband van Doop en Wedergeboorte. Met een inleidend woord van rx A. Kuyper. Breukelen 1897. Deze studie is zeer belangrijk, maar wordt al te zeer beheerscht door het streven, om de Gereformeerde Theologen zooveel mogelijk tot voorstanders van eene aan den doop voorafgaande wedergeboorte te maken. Dit gevoelen wordt wel nu en dan, op voorzichtige wijze uitgesproken, maar volstrekt niet door allen gedeeld.

2) Calvijn zegt wel eene enkele maal, dat de kinderen der geloovigen reeds vóór den doop door eene bovennatuurlijke genade heilig zijn, Inst. IV 16, 31, dat het zaad van geloof en bekeering door eene geheime werking des Geestes in hen schuilt, IV 16, 20, dat de genade der wedergeboorte hun uit kracht der belofte ten deel valt en de doop bij wijze van zegel volgt, bij Kramer t. a. p. bl. 145. Maar het is niet zeker te zeggen, wat de kracht dezer uitdrukkingen is. Daarnaast toch spreekt hij zich aldus uit, dat zijn eigen doop hem niets nutte, zoolang de daarin aangeboden belofte door hem verwaarloosd werd, IV 15, 17, dat God wel niet van uitwendige middelen afhankelijk is, maar toch ordinario modo ons daaraan bindt, IV 1, 5, 16, 10, dat voor hen, die het Evangelie hooren, het woord Gods spiritalis regenerationis semen unicum is, IV 16, 18, dat de kinderdoop geen meerdere kracht vereischt, dan dat hij het verbond der genade bevestigt, en dat de verdere beteekenis van het sacrament later volgt, IV 16, 21, dat voor volwassenen het woord het onverderfelijke zaad der wedergeboorte is, maar dat, ubi vero nondum per aetatem nobis inest docilitas, Deum tenere suos regenerandi gradus, IV 16, 31 enz. Verg. ook Kromsigt, Iets over Calvijns doopsbeschouwing, Troffel en Zwaard, 1905 bl. 102—106.

Sluiten