Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de leer van het obicem non ponere bewaard. En de Lutherschen hielden staande, dat de kinderen der geloovigen wel niet het geloof tot den doop medebrachten, dat ze ook niet op het geloof hunner ouders werden gedoopt, maar dat de H. Geest toch door den met het woord verbonden doop dat geloof in hun hart werkte, waardoor zij Christus aannamen en de vergeving der zonden en het eeuwige leven deelachtig werden. Wijl zij het geloof logisch aan de wedergeboorte lieten voorafgaan, stonden zij erop, dat dat geloof, door den H. Geest in het hart der kinderen gewerkt, een fides actualis was, en geen otiosus aut nudus habitus. Natuurlijk ontkenden ze niet, dat het geloof bij de kinderen op andere wijze werkte dan bij de volwassenen; hunne fides was actualis, non respectu externarum oper-ationum sed internarum et fidei propriarum. Maar het was toch zoodanig een geloof, dat Christus aandeed, Gal. 3 : 13, het koninkrijk der hemelen ontving, M k. 10 r 15, de wedergeboorte en de zaligheid deelachtig werd, Joh. 3:5 enz. >). Wij mogen ons van deze werkzaamheid des geloofs bij de kinderen geene voorstelling kunnen vormen, evenmin als van die bij de volwassenen, als ze in bewustloozen toestand verkeeren; toch mag daarom de fides actualis aan de kinderen niet worden ontzegd. De poging der Lutheranen, om op deze wijze aan de oude ordo salutis ook bij den kinderdoop getrouw te blijven, werd echter langzamerhand prijsgegeven; eene fides actualis liet zich bij de kinderen psychologisch moeilijk handhaven; en wijl de in den doop geschonken regeneratio toch altijd verliesbaar was en bij het opwassen der kinderen menigmaal door hun ongeloof verloren ging2), kwam die wedergeboorte feitelijk op eene collatio virium credendi neer 3).

Om al deze redenen kwamen de Gereformeerde theologen er lang-

T) Gerhard, Loei Theol. XX 227. s) Quenstedt, Theol. III 146. Hollaz, Ex 883.

') Schmid, Dogm. der ev. luth. Kirche bl. 340, 342. M. Vitringa, Doctr. III 222 v. De Lutherschen zijn tot den huidigen dag toe verdeeld over den aard en de plaats der wedergeboorte. Luther zelf liet de wedergeboorte nu eens op het geloof volgen, in dien zin, dat het geloof zelf de wedergeboorte was, en liet ze dan weer aan het geloof voorafgaan, inzoover de wedergeboorte in den kinderdoop met de donatio fidei samen viel. In de Conf. Aug. heet het nu eens, art. 20, dat de H. Geest door het geloof ontvangen wordt, dus op het geloof volgt, en dan weer, art. 5, dat de H. Geest het geloof werkt en er dus aan voorafgaat. Tot eenheid kwam het niet. In de orthodoxie en het piƫtisme der 17e en 18e eeuw kwamen beide gevoelens tegenover elkander te staan. En deze tegenstelling loopt door in de 19e en 20e eeuw; Ritschl legde den nadruk op de

Sluiten