Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sprake; en 3° kan men er licht het misverstand mede voeden, alsof de wedergeboorte eigenlijk met de rechtvaardiging samen viel, en daarvan niet behoorde onderscheiden te worden. Wanneer wij om deze redenen ook van deze beteekenis van het woord wedergeboorte afzien, kan men voorts dit begrip nog nemen in ruimer en in enger zin. In den ruimeren zin gebruikte men het woord gewoonlijk in het begin der Reformatie *); wedergeboorte omvatte dan de gansche vernieuwing van den mensch, gelijk die uit en door het geloof tot stand kwam, en viel met de bekeering (n.1. met de resipiscentia, niet de poenitentia) saam, zoodat nu eens de wedergeboorte en dan weer de bekeering omschreven werd als te bestaan in twee deelen, n.1. afsterving van den ouden en opstanding van den nieuwen mensch 2). Maar verschillende oorzaken, die reeds vroeger werden opgesomd 3), werkten er toe mede, om de wedergeboorte in enger zin op te vatten en aan het geloof en de bekeering te laten voorafgaan. De voortgang der wedergeboorte na en door het geloot kreeg toen gewoonlijk een anderen naam (resipiscentia, renovatior sanctificatio); dit spraakgebruik drong allengs zoover door, dat schier niemand tegenwoordig bij de wedergeboorte aan de heiligmaking denkt; de engere beteekenis van het woord kreeg algemeen burgerrecht. En dit is ook goed te verklaren; het woord sluit niet den wasdom en de ontwikkeling van het nieuwe leven in, maar doet onwillekeurig denken aan de wording en het ontstaan van dat leven. Als de dogmatiek het begrip dus tot de inplanting van het geestelijke leven beperkt, kent zij er een enger zin aan toe, dan waarin de H. Schrift doorgaans van wedergeboorte of geboorte van boven, uit God spreekt, en zij heeft dus op hare hoede te zijnr om niet op den klank af te citeeren; maar dit is geen bezwaar, wijl de dogmaticus bij elk leerstuk van de taal der belijdenis zich bedient en het moet laten rusten, niet op de klanken, maar op de gedachten der Godsopenbaring.

Bij de wedergeboorte in enger zin is nu verder nog weer te onderscheiden tusschen de werkzaamheid Gods, waardoor Hij wederbaart, en de vrucht van deze werkzaamheid in den mensch, die wedergeboren wordt, of m. a. w. tusschen de regeneratio activa en passiva. Beide zaken zijn in de werkelijkheid onmiddellijk aan

') Verg. deel III 670 v.

a) Verg. bijv. Polanus, zoo even aangehaald, en den Heidelb. Catech. vr. 88') Verg. deel III 671 en boven bl. 31 v.

Sluiten