Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14:20, 2 Cor. 5:17, Gal. 6:15, Ef. 2:10, niet uit de wereld, maar van boven, uit God geboren, een wonder voor anderen, een wonder allermeest voor zichzelven.

Ten slotte zij hieraan nog toegevoegd, dat het leven des Geestes zeer zeker eene gave aan ieder geloovige in het bijzonder is, maar tegelijk ook van stonde aan een innig gemeenschapsleven is. De roeping gaat n.1. van God uit, Rom. 8:30; de Vader is het, die zijnen Zoon in de harten openbaart, Mt. 11: 25, 16 : 17, Gal. 1:16, en door den Geest de bekeering, het geloof, de wedergeboorte schenkt, Joh. 3:3, 5, 16 : 8—11, 1 Cor. 12 : 3, 2 Cor. 3 : 3, 1 Thess.

1 : 6, Tit. 3 : 5 (verg Rom. 12 : 3, Ef. 2 ; 8, Phil. 1 : 29, waar van den Geest echter geene melding wordt gemaakt). Maar aan degenen, die gelooven, schenkt God nu verder den Geest van de vertroosting, van het kindschap, van de heiligmaking, Joh. 14 : 16, 17, Gal. 3.: 14, gelijk deze dan ook bepaaldelijk op den Pinksterdag in de gansclie gemeente uitgestort is, Hd. 2. Deze Geest nu, dien de geloovigen allen ontvangen tot een blijvend bezit, is een Geest der gemeenschap; niet een Gemeindegeist, gelijk Schleiermacher meende, die evengoed product als principe der gemeenschap is, want de H. Geest, die in de gemeente woont, is de Geest Gods, of van Christus, komt van boven, wordt uitgestort, gezonden, verleend, gegeven, Joh. 14 : 16, 15 : 26, 16 : 7, Hd. 2 : 33, Rom. 5 . 5,

2 Cor. 1 : 22, 5 : 5, Gal 3 : 5, 4 : 6, 1 Thess. 4 : 8, 1 Joh. 3 : 24, 4 : 13, en door de geloovigen ontvangen, Rom. 8 : 15, 1 Cor. 2 : 12, 2 Cor. 11 : 4, Gal 3 : 2, 14, 1 Joh. 2 : 27. Maar Hij is toch een Geest der gemeenschap, die de geloovigen niet alleen ieder voor zich met Christus en met God in gemeenschap brengt, maar hen ook onderling in die gemeenschap inlijft en bevestigt. Zij zijn allen door éénjsn Geest tot één lichaam gedoopt, 1 Cor. 12 : 13, hebben allen door éénen Geest toegang tot den Vader, Ef. 2 : 8, zijn samen één lichaam en één Geest, Ef. 4 : 4, worden saam op denzelfden grondslag opgebouwd tot een geestelijk huis, tot eene woonstede Gods in den Geest, Ef. 2 : 22, 1 Petr. 2 : 5, 1 Cor 3 . 9, genieten dezelfde gemeenschap des Geestes, 2 Cor, 13 : 13, Phil. 2.1; het is de Geest van Christus, die voortdurend door zijn woord tot de gemeenten spreekt, Op. 2 : 7v, en die met de bruid van Christus zijne wederkomst biddend tegemoet ziet, Op. 22 : li1).

i) Verg. reeds deel II 274—282 en deel III 562—573 met de daar aangehaalde litteratuur. Daarbij voege men nog Kcihler, Dus schriftmassige Bekenntnis zum Oeiste Christi, Dogm. Zeitfragen IP Leipzig 1908 bi. 193—233.

Sluiten