Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijk is. De herschepping toch brengt nooit eene nieuwe substantie in wereld of menschheid in; ook in het geloof schenkt zij aan den mensch niet zulk een nieuw vermogen, kracht of werkzaamheid, welke de oorspronkelijke, naar G-ods beeld geschapen menschelijke natuur niet bezat. Integendeel, de Gereformeerden beweerden terecht tegen de Remonstranten '), dat Adam vóór den val in zijne natuur de kracht bezat, om in Christus te gelooven, al kende hij natuurlijk Christus niet en al had hij Hem toen als Zaligmaker niet noodig 2). En zij hielden evenzoo tegen de Roomschen staande, dat Christus als mensch op aarde door het geloof had geleefd 3). Wijl nu de wedergeboorte principiëel eene herschepping is van den ganschen mensch naar het evenbeeld desgenen, die hem geschapen heeft, is het geloofsvermogen (fides potentialis, seminalis, habitualis, semen of radix fidei) vanzelf met en in haar gegeven. Zooals kinderkens redelijke wezens zijn ante rationem actualem, zoo zijn zij, indien zij kinderen des verbonds zijn, ook iideles ante fidem actualem. De Lutherschen spreken bij de kinderen liever niet van wedergeboorte, omdat zij deze bij volwassenen lieten volgen op en lieten voortkomen uit het geloof, en aan deze orde ook bij de kinderen getrouw willen blijven. Ze spraken daarom liever van accensio, procreatio, donatio fidei, of ook van collatio virium credendi 4). Maar langzamerhand leidde dit tot de onderscheiding van eene tweeërlei wedergeboorte; eene, die in den doop de vires credendi schonk, en eene andere, die later bij goed gebruik van de geschonken geloofskracht in renovatio bestond. Zoo werd de weldaad, aan de kinderen in den doop verleend, hoe langer hoe meer verzwakt, de continuiteit van het geestelijk leven verbroken, en tevens over het hoofd gezien, dat in de wedergeboorte altijd ook semina spei, caritatis enz. worden ingeplant, dat er in

l) Arminius, Op. 160.

*) Gomarus, Op. I 63. De Moor, Comm. IV 461. Shedd, Dogm. Theol. 1454, II482 v.

*) Verg. deel III 340. Het bewijs voor de stelling, dat ook Jezus geloof oefende, zou nog veel sterker worden, wanneer Haussleiter, Der Glaube Jesu Christi und der Chr. Glaube. Erlangen 1891, en Kittel, Ihanc IrjGov Xoidzoi' bei Paulus, Stud. u. Krit. 1906, 3, bl. 419—436, gelijk hadden, dat in deze uitdrukking de genitivus een genitivus subjectivus was. Er zou dan in liggen, dat Christus de rechtvaardige, Rom. 1 :17, uit geloof leefde, en door geloof (vertrouwen op God, gehoorzaamheid tot in den dood) tot een verzoening in zijn bloed geworden was, Rom. 3 :25. Maar deze exegese wordt terecht door velen bestreden, Holtzmann, Neut. Theol. II 122.

4) Verg. M. Vitringa, Doctr. III 82. 222.

Sluiten