Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49: 7, 65: 16, en die trots allen strijd en tegenstand in Hem gelooven blijven, zijn de getrouwen in den lande, 2 Sam. 20. 12, Ps.

12 : 2, 31: 24, 101: 6 enz.x).

Deze vertrouwensvolle overgave aan God en zijn woord, welke het Oud-testamentisch begrip geloof insluit, werd ook door de Joden dikwerf boog gewaardeerd, maar ze dwaalden toch weder van den rechten weg af, als zij dit geloof voor een buitengewoon goed werk aanzagen, dat op bijzonder hooge verdiensten aanspraak kon maken2). Zeer schoon wordt ook telkens door Philo van het geloof gesproken, dat, van al het aardsche afziende, alleen op God zich richt; maar het heeft bij hem toch meestal zijn soteriologischen inhoud verloren, en klemt zich meer aan God als den Onzienlijke •en Eeuwige, dan aan den God der genade en zaligheid vast3). Daarentegen krijgt het woord maug in het N. Test. zijne volle religieuze beteekenis. Johannes de Dooper predikte reeds, dat alle eigengerechtigheid der Joden voor God geene waarde had, en dat bekeering, ƒisravoia, en doop, voor allen noodig waren, om in te gaan in het koninkrijk der hemelen. Jezus nam deze prediking over, maar voegde eraan toe, dat dat rijk aanvankelijk in Hem, den Zoon des menschen, gekomen was; Hij bracht daarvan de blijde boodschap, en trad daarom op met den eisch: bekeert u en gelooft het Evangelie. Als Jezus dat doet, opent Hij geen anderen weg tot de zaligheid, dan die, schoon minder klaar, reeds in het ■Oude Testament was voorgesteld. "Want Abraham en al de geloofshelden des Ouden Verbonds zijn ons ten voorbeeld, Rom. 4:3v., Gal. 3 : 6, Hebr. 11; de geloovigen des N. T. zijn uit het geloof van Abraham, zijn zijne kinderen, Rom. 4 :16, en wandelen in zijne voetstappen, Rom. 4:12. Zij worden op geene andere wijze zalig <lan de vromen des Ouden Verbonds, Hd. 15:11, 10:43, Joh. o: 45; toen en nu geldt het, dat de rechtvaardige zal leven uit het geloof, Hab. 2:4, Rom. 1:17, Gal. 3:11, Hebr. 10: 38 *). Hiermede wordt echter het onderscheid in de bedeelingen van hetzelfde genadeverbond niet te niet gedaan; integendeel, zooals objectief de

ï) Verg. over het Hebr. woord voor gelooven o. a. ook Schlatter, Der Glaube im X. T. bl. 555-565, en L. Bach, Der Glaube nach d. Anschauung des A. T. Eine Unter suchung über die Bedeutung ynKH im altt. Sprachgebrauch. Gütersloh 1900 2) Weber, Syst. der altsyn. pal. Theol. 292, 295 v.

*) Dahne, Gesch. Darst. der jüd.-alex. Religionsphilosophie I 392. Warfield, t. n. p. bl. 828. Schlatter, t. a. p. bl. 578 v.

4) Verg. deel III 233.

Sluiten