Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geloof in verband1), zoodat het moeilijk werd, om tegenover Roomschen en Socinianen, en in het algemeen tegenover de nomisten, het geloof als een öqvccvov Xrpxxixov in de rechtvaardigmaking vast te honden. Dit gevaar bewoog Comrie en de zijnen, om in het geloof van de actus tot den habitus terug te gaan. De oudere Gereformeerden onderscheidden in het geloof gewoonlijk eene passieve en eene actieve zijde, en zij stelden zich tevreden met te zeggen, dat het geloof in de rechtvaardiging slechts als een ontvangend orgaan, als een instrument, dienst doet, doch in de heiligmaking als werk en als beginsel van goede werken voorkomt. De Remonstranten beweerden daartegenover, dat het geloof juist als instrument eene daad is, waartoe wij verplicht worden en waardoor wij Christus aannemen 2). In deze redeneering gaf Comrie eigenlijk aan de Remonstranten gelijk; indien het geloof als eene daad rechtvaardigt, dan is de rechtvaardiging uit de werken; vandaar dat in de rechtvaardiging het geloof hoegenaamd niet als actus, maar enkel als habitus in aanmerking komt3). Geen daad geeft aan het geloof zijn vorm of wezen, maar het geloof, als habitus door God in het hart gewerkt, bezit zijn stof en vorm terstond volkomen in zichzelf; kennis, toestemming en vertrouwen zitten daar van huis uit in, en behooren daar alle even wezenlijk toe 4). Doch niet als daden rechtvaardigen deze; integendeel, daar moet iets zijn in de innerlijke natuur van het geloof, waardoor het van alle werken, hoe ook genaamd, wezenlijk onderscheiden is 5). Vandaar dat Comrie de inlijving in Christus in het geloof als habitus onderscheidt van en laat voorafgaan aan de actus fidei, waardoor wij onzerzijds Christus aannemen enz., en dus bij de verklaring van antwoord 21 in den Heid. Catech. uitgaat van het antwoord op de 20® vraag6). Hoe scherpzinnig dit alles door Comrie ook

') Verg. de Moor, Comm. IV 358 v. M. Vitringa, Doctr. III 70. Ook Theod. van der Groe, Het ware zaligmakende geloove. Nieuwe uitgave, 's Gravenhage C; de Bruin z j. bl. 56 rekent tot het wezen des geloofs eene oprechte liefde en hoogachting voor Christus.

a) Apol. Conf. c 10, bij Episcovius, Op. II 165, en daartegen Trigland, Antapologia bl. 318 v.

3) Comrie, Stellige en praktikale verklaring van den Heidelb. Catech. Nieuwe uitgave. Nijkerk 1856 bl. 386.

*) Comrie, t. a. p. bl. 412.

Comrie, t. a. p. voorrede bl. XXVI,

*) Comrie, t. a. p. bl. 373 v. Verg. ook N. Holtius, Godg. Verh. over het op-

Sluiten