Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dezen droeven, twijfelmoedigen staat van het geestelijk loven aanschouwende, trachtten anderen wel een veiliger weg in te slaan, en de zekerheid des heils wederom op te nemen in het wezen des geloofs. Maar zij dwaalden daarbij meestal even ver ter linker zijde af als hunne tegenstanders rechts, en zagen in het verzekerd vertrouwen niet slechts een wezenlijk bestanddeel, doch het volle wezen, de eigenlijke actus formalis van het geloof1). Dit leidde dan heel licht tot de antinomiaansche opvatting, dat het geloof bestond in de verstandelijke aanneming van de sententie: u zijn

hem onderscheiden in zwakken en sterken; bij de eersten is er eerst weer een verlangen, een hongeren en dorsten naar Christus en vervolgens een gaan, komen, zoeken, toevlucht nemen, en een onbeschaamd aanhouden bij Christus; aan de tweeden is eerst eigen eene vrijmoedigheid, om zich Christus toe te eigenen, om Hem te mijnen, te kussen, te eten en te drinken, en daarna volle zekerheid, een zich verlaten op, een rusten en zich verlustigen in Christus. Ook A. Driessen, hoogleeraar te Groningen, stelde zich eerst in zijn strijd tegen van Thuynen aan deze zijde; het wezen des geloofs bestaat in hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus, dat is, in het toevluchtnemend vertrouwen; het verzekerd vertrouwen daarentegen kan eerst opkomen, als men door zelfonderzoek van de echtheid van zijn geloof overtuigd is geworden. Later werd hij meer gematigd en erkende, dat in het hongeren en dorsten ook tot zekere hoogte het eten en verzadigd worden reeds ligt opgesloten'; wie Jezus waarlijk begeert, geniet Hem ook reeds; wie zoekt, heeft al gevonden; het verzekerd vertrouwen komt dus uit het toevluchtnemend vertrouwen voort als de wortel uit het zaad; het laatste is al eene fiducia implicita, verg. J. C. Kromsigt, Wilhelmus Schortinghuis bi. 82 v. 96 v.

Jac. Schuts, Het nodigst middel der saligheyd ofte beschrijvinge des saligm. geloofs. Rotterdam 1692 zegt, dat al de daden des geloofs, kennen, toestemmen, vertrouwen enz. reeds het geloof onderstellen en dat dit wezenlijk bestaat in het voor waarachtig houden van Gods getuigenis aangaande Christus bl. 20, 34, dat is dus in toestemming. Inzonderheid Theod. van Thuynen trachtte in zijne korte Uitlegginge van het Geref. geloof. Leeuwarden 1722 aan te toonen, dat hongeren, dorsten, toevluchtnemen tot Christus enz. wel aan het geloof voorafgaan en tot het geloof leiden, maar dat het geloof zelf wezenlijk alleen bestaat in het verzekerd vertrouwen, dat wij met God verzoend zijn en vergeving der zonden hebben ontvangen. De fijnen, die hij bestrijdt, keereD naar zijne meening de orde om ; zij denken, dat God verzoenlijk is, en dat Hij eerst verzoend wordt door hun geloof (bevinding, goede werken); ze laten de rechtvaardiging dus, evenals de Roomschen en de Remonstranten, volgen op het geloof, terwijl deze toch naar Gereformeerde belijdenis eraan voorafgaat. Aan de zijde van Van Thuynen schaarden zich o. a. Ph. Themmen, H. Stegnerus, en ook C. Vrolikhert in zijne twee Godg. Verhandelingen over werkverbond en toerekening van Christus' dadelijke gehoorzaamheid, en over den aard en het wezen des geloofs 1732. Verg. Ritschl, Gesch. des Pietismus in der ref. Kirche. Bonn 1880 bl. 321 v. J. C. Kromsigt, t. a. p. bl. 74 v.

Sluiten