Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil terwijl die Geest zelf alles uit Christus neemt. De gave des H. Geestes onderstelt dus, dat God zijnen Christus, en dat Christus zichzelf reeds medegedeeld en geschonken heeft. Ook de allereerste weldaad des heils is eene weldaad des verbonds, welke de objectieve unio mystica onderstelt. Er is niet alleen geene opstanding, maar ook geen gekruisigd en begraven worden, geene afsterving van den ouden mensch, dan in de gemeenschap van Christus. Deze toerekening en schenking van Christus en zijne weldaden heeft ideëel, m het besluit, reeds van eeuwigheid plaats gehad; ze werd objectief gerealiseerd in Christus als hoofd en middelaar, toen Hij mensch geworden, gestorven en opgewekt is; zij maakt ook. zakelijk den inhoud uit van het woord des Evangelies; doch zij wordt eerst individueel toegepast en uitgedeeld in de vocatio interna, en passief . van 's menschen zijde aanvaard in de wedergeboorte. Hetzij deze wedergeboorte nu in de jeugd of op lateren leeftijd, vóór of onder het hooren des Woords plaats vinde, in logischen zin gaat zij toch altijd aan het daad-werkelijk gelooven vooraf. Want verbum Dei nemo salutariter audire potest, nisi qui sit regenitus *); niemand kan komen tot Christus, tenzij de Vader hem trekke, Joh. 6:44, verg.

ook 1 Cor. 2 :14, 12 : 8, Rom. 8: 7 enz.

Maar de wedergeboorte in enger zin, als instorting van het beginsel des nieuwen levens, kan ook temporeel aan het geloof voorafgaan. In hun strijd tegen de Wederdoopers kwamen de Gereformeerden langzamerhand tot het inzicht, dat het vermogen, het zaad, de hebbelijkheid des geloofs of met andere woorden de wedergeboorte in beperkten zin reeds plaats kon hebben in de prille jeugd, voor het ontwaken van het bewustzijn, in of vóór den doop, of zelfs reeds voor de geboorte. Zij beriepen zich op de voorbeelden van Jeremia, 1: , van Johannes den Dooper, Luk. 1:15, van Paulus, Gal. 1:15 en van Jezus zeiven, Luk. 1 :35, en voorts op de leer der Schrift over besnijdenis en doop, over kerk en genadeverbond, m. a. w. op al die bewijzen, die voor den kinderdoop worden aangevoerd en dus later nog ter sprake komen. Indien er ook geene wedergeboorte plaats had in de jeugd, zou óf de erfzonde verzwakt óf aan de zaligheid van alle vroegstervende kinderen gewanhoopt moeten worden Wijl echter de genade Gods louter genade, en dus van a e menschelijke conditie volstrekt onafhankelijk is, en wijl ze bepaaldelijk in hare Nieuw-Testamentische bedeeling ganse over

x) Maccovius, Loei Comm. bl. <10.

Sluiten