Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zaligmakend geloof als op een nieuwen wortel geënt, en trekken daar dan andere en betere levenssappen uit.

Als de kennis van het zaligmakend geloof in dezen zin verstaan en van de louter historische notitia en assensus wezenlijk onderscheiden wordt, kan de omschrijving van de fides salvifica als firma certaque divinae erga nos benevolentiae cognitio, zooals Calvijn die gaf en bedoelde, voor juist en ook voor volledig gelden. Want niet alleen wisselt de H. Schrift meermalen het gelooven met het kennen af, Joh. 6:69, 7:3, 1 Oor. 1:21, 2 Cor. 4:6 enz., maar in de definitie van Calvijn zijn de fides generalis (hier bedoeld niet als het historisch geloof, maar als zaligmakend omhelzen van de om de centrale heilsbelofte in Christus zich groepeerende heilswaarheden, zooals bijv. het apostolisch getuigenis als een getuigenis Gods, de Schrift als Gods woord) en de fides specialis (welke die centrale heilsbelofte, de divina erga nos benevolentia tot object heeft) organisch met elkander verbonden; de fides salvifica als cognitio aanvaardt als met één acte Christus als Zaligmaker en de Schrift als Gods woord; zij kent en neemt Christus aan in het gewaad der H. Schrift, evangelio suo vestitum x), en vermijdt dus zoowel het dorre rationalisme als het valsche mysticisme. Er is eigenlijk al geen schooner definitie denkbaar dan deze, dat het geloof eene vaste en zekere kennis is van de barmhartigheid, welke God in Christus ons heeft betoond. Wat is het Christelijk geloof in zijn wezen toch anders, dan de op Gods getuigenis rustende en door den H. Geest in ons hart gewerkte verzekerdheid, dat de «euwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel en aarde uit niet geschapen heeft en nog door zijne almachtige en alomtegenwoordige kracht onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christus1 wille ook onze God en Vader is?

Maar de theologie is toch bij deze definitie van Calvijn niet blijven staan; ze bleek in de practijk onvoldoende. Ten eerste toch lag het gevaar voor de hand, om de cognitio van het zaligmakend geloof, ofschoon wezenlijk van de notitia en assensus in het historisch geloof verschillend, met deze te verwarren en dus tot de Roomsche opvatting van het geloof terug te keeren 2); en dit ge-

x) Calvijn, Inst. III 2, 6.

*) De Roomschen verwerpen uitdrukkelijk de onderscheiding van fides historica en fides salvifica, Bellarminus, de Justif. I c. 4, maar maken eene scherpe scheiding tusschen geloof en liefde, ib. c. 15. De Remonstranten daaren-

Sluiten