Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo sluit het geloof naar zijn aard volstrekte zekerheid in. Het staat tegenover bezorgdheid, Mt. 6:31, 8:26, 10:31, vreeze, Mk. 4 : 40, 5 : 36, twijfel, Mt. 14: 31, 21: 21, Rom. 4 : 20, Jak. 1: 6, ontroering, Joh. 14:1, het is onbepaald vertrouwen, Mt. 17:20, ï'TioGTaoig en e/fy/oc der ongeziene dingen, Hebr. 11:1. Uit die verzekerdheid des geloofs spreken en roemen de vromen des O. en N. Verbonds, Gen. 49 : 18, Ps. 16 : 8—10, 23 : 4—6, 31 :2, 56 : 5, 10, 57 :3 enz., Rom. 4:18, 21, 8: 38, 2 Tim. 4:7, 8, Hebr. 11 enz. En toen Rome deze zekerheid verwierp 1), heeft de Hervorming, heeft inzonderheid Calvijn 2), deze zekerheid in het geloof naar d& Schrift weer aangewezen. Fides numquam se ipsam ignorat 3). De fout van het antinomianisme bestond dan ook niet daarin, dat het in het geloof de verzekerdheid opnam, maar ze was hierin gelegen, dat het heel het geloof in die verzekerdheid liet opgaan, alle andere werkzaamheden des geloofs miskende, en dus er niets anders onder verstaan kon dan het verstandelijk aannemen van de sententie: u zijn de zonden vergeven.

Naar de andere zijde dwaalde het nomistisch piëtisme daarin, dat het de certitudo salutis uit het wezen naar het welwezen des geloofs overbracht, en, behalve door buitengewone openbaringen, alleen bereikbaar achtte in den weg van eene voortdurende zelfbespieding en een lang en angstig zelfonderzoek. In plaats van het geestelijk leven langs dezen weg tot die hoogte op te leiden, heeft het echter aan dat leven meer en meer alle vastigheid ontnomen en het van alle spontaneïteit beroofd. „Door niets wordt immers een gevoel meer tegengehouden dan door een voortdurend angstvallig onderzoek ernaar, of men het ook heeft. Slechts bij uitzondering brengt men het hiermee verder dan tot een klagen over eigen „doodigheid". En nog meer dan het spontane gevoelen wordt het spontaan handelen door het aanhoudend inzien in zichzelf belemmerd. Het goede zaad kan niet welig groeien, als het telkens losgewoeld wordt, om zijn wasdom te kunnen constateeren. Het letten op de bevindingen verlamt den wil. Men heeft het te druk met zichzelf, om tot een krachtig handelend optreden te kunnen geraken" ■*).

') Conc. Trid. VI. c. 9 en can. 13—15.

*) Calvijn, Inst. III 2, 14 v.

3) Sohnius, Op. I 976.

4) J. C. Kromsigt, W. Schortinghuis bl. 333. Verg. ook mijne Zekerheid des geloofs. 2e druk. Kampen 1903.

Sluiten