Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit. De profetie gaf aan het woord s<ra5 echter hoe langer zoo meer eene religieus-ethische beteekenis. De geschiedenis leerde het immers maar al te duidelijk, dat het volk Israels niet bleef wandelen in de wegen des Heeren, maar telkens tot den dienst van andere goden zich verleiden liet. En toen de mate zijner ongerechtigheden vol was, kondigden de gezanten Gods de straf der ballingschap aan, maar openden toch ook weer de hope op een terugkeer naar het land Kanaan. Die terugkeer moest en zou dan echter niet bloot plaatselijk en tijdelijk zijn, maar zij moest en zou ook vergezeld gaan van en als het ware samenvallen met eene bekeering in religieus-ethischen zin, met eene verandering van hart en leven. Soms moge het bij de profeten moeilijk uit te maken zijn, of het woord sr; meer de eerste, of de tweede beteekenis heeft, Jes. 10 : 21, Jer. 31: 21, 46 : 27, Hos. 6:1, 14 : 8, Zach. 3 :12; dit is zeker, dat eene algeheele, niet alleen uit-, maar ook inwendige verandering, voor het volk noodzakelijk is. De offeranden, die den Heere welbehagelijk zijn, bestaan in een gebroken en verslagen hart, Ps. 51:19; de ware besnijdenis is de besnijdenis des harten, Deut. 10:16, Jer. 4:4; het ware vasten en treuren ligt in het scheuren des harten en niet der kleederen, Joël 2:13; de Heere eischt eene bekeering met het gansche hart, Joël 2: 12. En dat eischt Hij niet slechts, maar belooft het ook en zal het eens geven in de dagen van het nieuwe verbond, Jer. 31: 31 v. Ezech. 36 : 25 v. Zach. 13 :1, Mal. 4 : 6.

De nomistische richting, welke na de ballingschap opkwam, verliet echter deze profetische lijn en vatte de bekeering hoe langer zoo meer op als een werk, dat de vorige zonden goedmaken moest. Zij bestond in een korter of langer, minder of meer diep berouw, voorts in belijdenis der zonden, en dan ook nog in eene zelf opgelegde straf, zooals vasten, onthouding, zelfkastijding. Deze boete had de kracht, om de gepleegde zonde te verzoenen en het verleden goed te maken; de naran was eene xn:pn, eene restitutio in integram, een herstel in den stand der rechtvaardigen, of eene ï-intep, «ene genezing of heeling. En wanneer deze herstelling door de boete verkregen was, dan konden door de onderhouding der wet weder verdiensten verworven worden, die aanspraak gaven op loon hier of hiernamaals1).

459. Tegen deze veruitwendiging van de bekeering traden Johannes de Dooper en Jezus met den eisch der [istavoia op. Dit

Verg. deel III 558 v.

Sluiten