Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij zijne zonden alle gebiecht, de straf ervoor genoegzaam gedragen heeft, en bij het sterven naar den hemel of misschien nog voor een onbekend aantal jaren naar het vagevuur zal gaan.

De Reformatie stond sterk, als zij tegen dit juridisch boetestelsel haar aanval richtte en er de Bijbelsche gedachte der bekeering voor in de plaats stelde. Doch er deden zich daarbij spoedig vele vragen voor, die tot verschil en verdeeldheid aanleiding gaven. Als de beke'ering, gelijk in den eersten tijd algemeen gezegd werd, in contritio en fides bestond, waardoor kwamen deze in den mensch tot stand? Bediende God zich daarbij van het middel der wet of des Evangelies of van beide? Ging de poenitentia aan de fides vooraf of volgde zij daarop en vloeide zij er uit voort? En indien tusschen het berouw, dat aan het geloof vooraf kan gaan, en het hartelijk leedwezen over de zonde, dat uit het geloof geboren wordt, of met andere woorden tusschen poenitentia en resipiscentia onderscheid te maken is, is het noodzakelijk, dat de poenitentia bij hen,, die waarachtig bekeerd worden, steeds aan het geloof vooraf ga*r mogen zij tevoren om hunne bekeering bidden; moeten zij een korter of langer tijd van verschrikking en vreeze, van angst en wanhoop doormaken, om later van hunne bekeering verzekerd te zijn, en moeten zij de wijze en den tijd, ja den dag en de ure weten, waarop zij waarlijk tot God zijn bekeerd en Christus als hun Zaligmaker hebben aangenomen? Of is zulk een berouw en droefheid over de zonde eigenlijk in het geheel niet noodig, en veeleer overbodig en onnut? Kan en mag men zelfs wel van bekeering spreken bij hen, die niet, als in de dagen des Nieuwen Testaments of ook door de zending, uit het Joden- of Heidendom tot het Christendom overkomen, maar die in de kerk geboren en gedoopt en van der jeugd af in de Christelijke waarheid opgevoed zijn? Is hun doop niet het teeken en zegel hunner bekeering, zoodat eene latere onnoodig is? Maar laat dit zijn zooals het is, waarin bestaat de waarachtige bekeering des menschen? Is ze een werk Gods of een werk van den mensch of van beide tezamen; is de mensch daarbij passief of actief? En waar heeft ze plaats, in het verstand of in den wil; is zij uitsluitend religieus of ook ethisch van aard; en welke deelen bevat zij, contritio, fides benevens nova obedientia,. of mortificatio en vivificatio? Is de bekeering in ééne daad afgeloopen, of zet zij zich heel het leven door voort? Is er eene bekeering mogelijk op het sterfbed en in het laatste moment des levens, of moet zij zich altijd in een doen van goede werken openbaren en

Sluiten