Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn de puberteitsjaren eene periode, waarin de knaap en het meisje zeer dikwerf de diepe godsdienstige en zedelijke indrukken, welke zij in hunne jeugd ontvingen, tegenwerken en verliezen en volop in de zonde gaan leven, en ten tweede heeft de bekeering, ook zelfs volgens eene zeer gebrekkige en onvolledige enquête, volstrekt niet alleen in deze periode plaats, maar ook wel daarvoor en daarna, en blijft zij ook op het na een lang leven volgend sterfbed mogelijk J). Maar toch is het waar, dat de mensch in den puberteitsleeftijd eene groote, heel zijn wezen omvattende verandering ondergaat; terwijl hij tot dusver in zijne ouders begrepen was, komt hij thans allengs voor eigen rekening te staan; wat geboorte en opvoeding hem meegaf, moet hij thans zich assimileeren en tot zijn geestelijk eigendom maken. Dat geldt in allerlei opzicht, en is ook van toepassing op godsdienstig gebied. Als het in het genadeverbond geboren en gedoopte kind tot oordeel des onderscheids komt, heeft het zich rekenschap te geven van zijn doop en van de nieuwe gehoorzaamheid r waartoe deze hem vermaant en verplicht. Zelfs de heidenen hebben de beteekenis van deze critische periode in het menschelijk leven erkend, als zij den knaap of het meisje in dezen tijd aan allerlei beproevingen onderwierpen en door plechtige ceremoniën tot het volgend leven inleidden 2). En de Christelijke kerken hebben over het algemeen in dezen tijd de eerste communie of de confirmatie,, de openbare belijdenis, de toelating tot het avondmaal of de aanneming tot lidmaten gesteld.

Het is volstrekt niet gewenscht, om deze crisis in het religieuze leven te forceeren, door zondagschool of meeting kunstmatig tfr vervroegen; veeleer komt het er op aan, om met groote teederheid en voorzichtigheid de geestelijke ontwikkeling van het kind na te gaan en te leiden, om met den aard van den kinderleeftijd

*) Verg. deel III 643, 675 v. Aan de bekeering op het sterfbed hechtten de Remonstranten zeer weinig waarde. Als iemand zijn gansche leven in de zonde doorgebracht en alle roepstemmen des Evangelies in den wind geslagen had, achtten zij een bekeering tegen de ure des doods, welke door geen nieuw leven meer bewezen kon worden, hoogst onwaarschijnlijk, ja anders dan door eene buitengewone genade onmogelijk, Episcopius, Op. I 2 bl. 14 v. Limborch, Theol. Christ. bl. 597. Later werd zoo ook geoordeeld door de Waalsche predikanten Jacques Bernard en Pierre Joncourt. Maar de Gereformeerden koesterden hierover in het algemeen eene mildere opinie, M. Vitringa, Doctr. III 100—104.

2) Stanley Hall, Adolescence II 232—280.

Sluiten