Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den regel het zevende levensjaar) is gekomen, verplicht, om minstens eenmaal des jaars al zijne zonden in het geheim aan zijn eigen priester te belijden 1). Eigenlijk is deze _ biecht in strikten zin alleen noodzakelijk voor die geloovigen, die eene doodzonde begaan en daardoor de heiligmakende genade verloren hébben ; want er is na den doop geen ander middel, om weder in den staat der genade terug te keeren, dan het sacrament der boete, en tot het biechten van dagelijksche zonden is men niet verplicht, want deze zijn geen beletsel voor de zaligheid en kunnen ook zonder de biecht vergeven worden. Maar het zou toch voor de Roomsche geloovigen hoogst onvoorzichtig zijn, ook al waren ze van geene enkele doodzonde zich bewust, om nooit van het sacrament der boete gebruik te maken. De grens tusschen dood- en vergefelijke zonden is toch in de practijk dikwerf moeilijk aan te wijzen; op enkele uitzonderingen na maakt ieder geloovige zich na den doop toch weder aan eene doodzonde schuldig, en niet eens, maar telkens weer; hij valt herhaaldelijk uit den staat der genade in dien der natuur terug, en daarom is de biecht practisch voor alle geloovigen noodzakelijk, niet eenmaal in het jaar, maar liefst zoo dikwerf mogelijk 2). In die biecht moet de geloovige van alle doodzonden belijdenis doen, van welke hij zich na vlijtig zelfonderzoek bewust is, ook al zijn ze nog zoo geheim en al bestonden ze alleen in gedachten en begeerten; hij moet die zonden belijden singillatim en ook de omstandigheden aangeven, waaronder ze bedreven zijn, want deze kunnen voor het bepalen van de zwaarte der zonde en van de op te leggen genoegdoening van groot gewicht zijn; de biecht moet integra et absoluta zyn 3).

Van deze private en geheime oorbiecht aan den priester 4) erkennen

1 Herhaald op het concilie te Florence 1439, in het Conc. Trid. sess. XIV cap. 5 en in den Catech. Rom. II 5 qu. 38.

*) Catech. Rom. qu. 39 en 46.

3) Conc. Trid. sess. XIV c. 5. Catech. Rom. II 5 qu. 40 en 41.

4) Een vrij langen tijd was in de Roomsche kerk ook de leekenbiecht, dat wil zeggen, de biecht voor leeken in gebruik. Het eerst vernemen we daarvan in de chroniek van bisschop Thietmar van Merseburg in 1015; ze werd verdedigd in het aan Augustinus toegekende geschrift de vera et falsa poenitentia, door Gratianus, Lombardus e. a. Petrus Cantor ging zelfs zoover, dat hij in geval van nood het biechten voor eene vrouw, een ketter of een Jood aanbeval. In de dertiende eeuw, in den riddertijd, bereikte ze haar grootste uitbreiding. Maar Thomas, Halesius, Bonaventura ontzeggen er het sacramenteel karakter

Sluiten