Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu de Roomsche godgeleerden zeiven, dat ze rechtstreeks en letterlijk in de Schrift niet voorkomt1). Er is in Oud en Nieuw Testament herhaaldelijk van belijdenis der zonde sprake, voor de overheid, Lev. 5:5, Num. 5:7, Joz. 7:19, voor elkander, Jak. 5:16, voor God in het openbaar, Lev. 16 : 21, Ezr. 10: 11, Neh. 9.2, 3, Mt. 3 : 6, Hd. 19 :18, of in het verborgene, Ps. 32: 5, Ezr. 10:1, Neh. 1:6, Dan. 6: 11, 9:4, 20, 1 Joh. 1:9; belijdenis is van een rechte kennis der zonde onafscheidelijk, en de weg tot Gods barmhartigheid, Spr. 28:13. Maar van eene biecht, gelijk Rome die verstaat, maakt de Schrift nergens eenig gewag; op voorgang van Trente leiden •de theologen ze dan ook door eene redeneering af uit de belofte van Christus in Mt. 16:19 aan Petrus, en in Mt. 18:18 aan al de apostelen, om hun de sleutelmacht te geven, en uit de vervulling

dier belofte in Joh. 20:22, 23.

Volgens Rome heeft Christus in deze woorden de apostelen, en dan voorts de bisschoppen en priesters aangesteld tot praesides etjudices, ad quos omnia mortalia crimina deferantur, in quae Christi fideles «eciderint, quo pro potestate clavium remissionis ant retentioms peccatorum sententiam pronuntient2). Bij den doop deelt de kerk ook wel genade uit, doch daar doet zij dit niet per modum judicii, maar per modum beneficii, want over degenen, die gedoopt worden, heeft zij nog geen rechterlijke macht, maar krijgt die eerst door den doop. Gedoopten echter zijn en blijven onder de jurisdictie der kerk, kunnen zoo niet physisch dan toch ethisch gedwongen worden, om voor haar forum te verschijnen, als zij aan doodzonden zich hebben schuldig gemaakt, en kunnen door het kerkelijk gerecht vrijgesproken of veroordeeld worden. De rechterlijke macht, welke Christus aan zijne kerk schonk, is immers een tweeledige; de kerk kan de zonden vergeven (ontbinden, solvere, remittere), maar zij kan ze ook binden (houden, ligare, retinere), door de vergeving te weigeren

aan, al noemen ze haar in sommige gevallen nog wel raadzaam en nuttig, ct. £onc. Trid. sess. XIV c. 5; Duns Scotus verklaarde er zich beslist tegen. Het Conc. Trid. sess. XIV c. 6 beperkte de macht, om de zonden te vergeven, uitsluitend tot de bisschoppen en priesters. Verg. Dr. Gromer, Die Laienbeichte im Mittelalter. Ein Beitrag zu ihrer Geschichte. Mü%-hen Leutner 1909. Pesch, 1'rael ■dogm. VII2 180.

i) Zoo zegt bijv. Pohle, Dogm. III4 484, Schwerlich ist im N. T. irgendwo von ■der sakramentalen Beichte ausdrücklich die Rede. Aber auch wo es der Fall ware, liesse sich das Faktum nicht strenge beweiBen. Verg. andere dergelijke uitspraken, van Scotus e. a. bij Pesch, Prael. dogm. VII2 155 v. 161 v.

^ Conc. Trid. sess. XIV c. 5.

Sluiten