Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtvaardig was, maar daardoor werd het ook voor Hem mogelijk, om met behoud van, ja in overeenstemming met zijne gerechtigheid, te rechtvaardigen dengene, die uit het geloof van Jezus is, 3:25, 26. Bij de „gerechtigheid Gods" in Rom. 3:21—26, verg. 1:17,' hebben wij dus niet te denken, aan eene gerechtigheid des menschen, die wel buiten hem in Christus is, maar door hem in het geloof tot de zijne wordt gemaakt, en nu als zoodanig voor God geldt (Luther, Calvijn, Kantt., Philippi, Umbreit, Fritzsche met beroep op Rom. 2:13, Gal. 3:11, naga toj to-i, en Rom. 3:20, ivwmov avrov), noch ook aan eene gerechtigheid des menschen, welke hem door God ingestort is en van God af komstig is of voor Hem geldt (Osiander, Schleiermacher, Rothe, Martensen, Nitzsch, Beek), en ook niet in de eerste.plaats aan eene gerechtigheid, welke niet der menschen maar Godes is, die Hij bezit, doch welke Hij uit genade in het geloof aan menschen schenkt, zoodat ze door Paulus elders genoemd kan worden eene óixcuoavvrj ex Üsov, Phil, 3 : 9 (zoo vele nieuwere exegeten, hetzij zij den genitivus omschrijven als een genitivus subjecti (Haussleiter) of als een gen. possessivus (Fricke) of als een gen. autoris, causae efficientis (Bengel, Rückert, van Hengel, Winer enz.)

Maar in de eerste plaats hebben wij onder dien term te verstaan die eigenschap of liever die handelwijze Gods, waarnaar Hij rechtvaardig oordeelt, in casu dengene, die uit het geloof van Jezus is, vrijspreekt. Maar opdat God alzoo kon handelen, was het noodig, dat Hij Christus stelde tot een IkaazrjQiov, en in Hem eene gerechtigheid, 1 Cor. 1: 30, 2 Cor. 5 : 21, Phil. 3 : 9, aanbracht, welke lijnrecht tegen de ióia óixccioovvrj, tegen de gerechtigheid uit de wet overstaat, Rom. 10:3, Phil. 3:9. De gerechtigheid Gods als deugd of wijze van handelen heeft zich daarin het heerlijkst geopenbaard, dat Hij in Christus eene andere, buiten de werken omgaande gerechtigheid heeft geschonken, op grond waarvan Hij rechtvaardigen, dat is, volstrekt en volkomen vrijspreken kan dengene, die uit het geloof van Jezus is *). AVie dus in Christus ge-

Over den genitivus in de uitdrukking tov ex marstog Irjoov Rom. 3 :26 weid indertijd hier te lande een strijd gevoerd, waaraan velen deelnamen, maar die tot geen resultaat leidde, Scholten L. H. K. II77. Later werd door Haussleiter, Der Glaube Jesu Christi und der Christl. Glaube 1891, de genitivus ook weer gehouden voor een genitivus subjectivus en de uitdrukking zoo verstaan, dat Christus door zijn geloof het einde der wet was. Als Zoon liet Hij zijne verhouding nicht durch das Gesetz vermittelt zijn, maar het was zijne spijze, den

Sluiten