Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

looft, wordt gerechtvaardigd êicc marewg, Rom. 3:22, 25, 30, Gal.

2 :16, 3 : 26, Ef. 2 : 8, Phil. 3 : 9, 2 Tim. 3 :15, ex marewg, Rom. 1: 17, 3 : 30, 5:1, 9 : 30, 32, 10 : 6, Gal. 3 : 8, 24, marei, Rom 3 : 28. Dat geloof sluit wel in het aannemen van het getuigenis Gods, Rom. 4 :18v., 10 : 9, 77, 1 Cor. 15 :17, 1 Thess. 2 : 13, maar is dan voorts ook vertrouwen des harten op Gods genade in Christus, eene persoonlijke verhouding tot en eene persoonlijke gemeenschap met Christus, Rom. 10 : 9, 1 Cor. 6 :17, 2 Cor. 13 : 5, Gal. 2 : 20, Ef.

3 :17; geen dood, maar een levend geloof, dat alle werk, verdienste en roem uitsluit, Rom. 3:28, Rom. 4:4, 11:6, Gal 2: 16, Phil. 3:9, en toch in de liefde zijne kracht bewijst, Gal 5:6. Dit geloof wordt den mensch tot gerechtigheid gerekend, Rom. 4:3, 5, 9,11, 22, Gal. 3: 6; de rechtvaardige leeft uit zijn geloof, Rom: 1:17, Gal. 3:11, Hebr. 10:38; de rechtvaardigmaking is eene óixaiwaig £<öjjs, welke het leven medebrengt, Rom. 5: 18. Met de rechtvaardiging, die de geloovige verkreeg, is hij terstond van allen angst en vreeze bevrijd; hij heeft vrede bij God, Rom. 5:1, hij is niet meer onder de wet, Rom. 7 :4, Gal. 2: 19, 4:5, 21v., maar onder de genade, Rom. 6:15, en staat in de vrijheid, Gal. 5:1; hij is geen dienstknecht meer, maar een zoon, den Geest des kindschaps deelachtig, en dus ook een erfgenaam Gods, Rom. 8:15—17, Gal. 4: 5—7, met groote verzekerdheid verwachtende de voltooiing van het kindschap, Rom. 8:23, en de hope der gerechtigheid, Gal. 5:5, want als God rechtvaardigt, wie is het dan, die verdoemt? Rom. 8 : 31—39 *).

wil des Vaders te doen; en daarin bestond zijn geloof, waaruit wij tot onze rechtvaardiging als het ware geboren moeten worden, bl. 48, 40. Maar deze opvatting is zoowel exegetisch als dogmatisch onhoudbaar. Jezus, Christus, of Jezus Christus is bij Paulus wel terdege voorwerp des geloofs, Rom. 3 : 22, cf. vb. 25, Gal. 2:16, 20, 3:26, Phil. 3:9. Geloof is bij Paulus de technische term voor de religieuze verhouding, waarin de geloovigen tot God staan. Niemand kon daarom de marig I^aov anders dan als een gen. obj. verstaan. Het werk van Christus heet bij Paulus nooit geloof, maar gehoorzaamheid en is niet alleen actief, maar ook passief. Verg. reeds boven bl. 87 en verder Zahn, Der Brief Paulus an die Romer. Leipzig 1910 bl. 175, 197. Sanday and Headlam, The Epistle te the Romans5. Edinburgh 1908 bl. 83, 84. Xoch heeft G. Kittel, Zur Erklarung van Röm. 3:21—26, Theol. Stud. u. Krit. 1907 bl. 217 233 het gevoelen van Haussleiter weer 'overgenomen en verdedigd.

}) Verg. behalve de boven reeds aangehaalde litt. voorts nog: Rauwenhoff", Disq de loco Paulino, qui est de dixcuwoei L. B. 1852. Schultz, Die Lehre v. d. &erechtigkeit aus dem Glauben im A. u. N. Bunde, Jahrb. f. deutsche Theol. 1862

Sluiten