Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dus bij Rome die daad Gods, waardoor Hij niet alleen de schuld der zonden vergeeft en de eeuwige straf kwijtscheldt, maar ook den mensch inwendig wederbaart en vernieuwt. Blijkbaar is de orde van deze beide weldaden dan zoo gedacht, dat de laatste de eerste ten gevolge heeft; de gratia habitualis is immers de causa formahs zoowel van de remissio peccatorum als van de sanctificatio; God vergeeft den mensch zijne zonden, omdat Hij hem in logischen zin vooraf heilig maakt1). Deze heiligmaking is zoo volkomen, dat de mensch van alle smet der zonde gereinigd wordt en slechts de fomes peccati of de concupiscentia, die op zichzelve geene zonde is, overhoudt, en dat hij daarin voorts de bovennatuurlijke kracht ontvangt, om Gods geboden te onderhouden, om zelfs opera supererogatoria te doen, en langs dezen weg het eeuwige leven en een hoogen graad van hemelsche heerlijkheid te verdienen. Het gansche Christendom (de persoon en het werk van Christus, kerk en sacrament) dient bij Rome daartoe, dat God in den doop,' resp. in de boete, aan den mensch het verloren donum superadditum terug kan schenken, en daardoor hem in staat stelt, om goede werken te doen en hemelsch loon te verwerven. De rechtvaardigmaking is feitelijk de herstelling van den mensch in den status integritatis, de elevatio in de bovennatuurlijke orde.

Daarbij dient men echter billijkheidshalve in het oog te houden, dat Rome deze gansche heerlijke weldaad alleen toeschrijft aan dé barmhartigheid Gods, die uit genade reinigt, heiligt en zalft met den H. Geest der belofte, en dat zij als verdienende oorzaak alleen erkent den Heere Jezus Christus, die toen wij vijanden waren, naar zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, door zijn heilig lijden aan het hout des kruises de rechtvaardigmaking voor ons verdiend en den Vader voor ons voldaan heeft. Ook aan het geloof kent Rome daarbij eene plaats toe; het geloof is humanae salutis initium, fundamentum et radix omnis justificationis, zonder hetwelk het onmogelijk is, Gode te behagen; maar wijl dat geloof toch niet meer is dan eene toestemming van de waarheden, die door God geopenbaard en door de kerk bewaard worden, kan het, tenzij de hoop en de liefde erbij komen, ons niet waarlijk met Christus vereenigen noch ook tot levende leden van zijn lichaam maken 2); zoodat het

') Deze onderschikking van de weldaad der vergeving aan die der heiligmaking angt weder samen inet de verzwakking van de zonde als schuld, verg. deel III v' en ook Loofs, Dogmengesch». bl. 570 noot 7.

2) Cooc. Trid. sess. VI c. 7 en 8.

Sluiten