Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er duidelijk uit, dat de leer der rechtvaardiging bij de Reformatie volstrekt niet geboren werd uit het inzicht, dat de erfzonde, welke Luther dan weer volgens Denifle met de zinnelijke begeerte vereenzelvigde in de geloovigen onoverwinlijk was en dat dus een bloot vertrouwen op de barmhartigheid Gods en op eene uitwendig toegerekende gerechtigheid van Christus voor de zaligheid genoegzaam was J). Want Luther maakt nergens een scherp onderscheid, veel min eene scheiding tusschen rechtvaardigmaking (in forensischen zin) en heiligmaking; nergens stelt hij de laatste bij de eerste ten achter, maar altijd vat hij het justum reputare en het justum efficere onder het ééne begrip van de rechtvaardigmaking saam; de Reformatie was van huis uit eene religieuze en tegelijk eene ethische beweging. Daarentegen trekt zich alle belang bij de justificatio daarin saam, dat de zaligheid geheel en al, van het begin tot het einde, niet des menschen, maar uitsluitend Gods werk zij; vandaar de tegenstelling van wet en Evangelie, de bestrijding van alle meritum de congruo en de condigno, de nadruk op het sine meritis justificari, de verheerlijking van Gods genade en de verdiensten van Christus. Gods genade en zij alleen is het voorwerp van des Christens vertrouwen, bij den aanvang van zijne bekeering en zoo tot het einde van zijn leven toe. Want al is hij ook door het levend geloof terstond in beginsel vernieuwd, grond van zijn vertrouwen is toch nooit zijne eigene gerechtigheid, maar de gerechtigheid, welke God in Christus geschonken heeft. Wat Luther later zoo dikwerf uitsprak. so viel du glaubest, so viel hast und bist du auch, dat getuigt hij ook reeds in zijne uitlegging van den brief aan de Romeinen: tantum enim sumus et habemus, quantum credimus; qui ergo plena fide credit et confidit se esse filium Dei, est filius Dei 3). Later maakt Luther wel meer onderscheid tusschen het geloof en de hoop, stelt hij de imputatio gratuita krachtiger op den voorgrond, legt hij meer nadruk op de zondenvergeving en het kindschap, zooals zij thans reeds op aarde het deel der geloovigen zijn,.

) Dat de nieuwe denkbeelden bij Luther niet voortkwamen uit een zedelijk bankroet, maar integendeel in een diep besef van zonde hun oorsprong hadden, is met krachtige bewijzen gestaafd door W. Braun, Die Bedeutung der Concupiscenz in Luthers Leben und Lehre, Berlin 1908. De concupiscentia was bij Luther ook niet gelijk aan den geslachtslust, maar duidde bij hem den wortel van allerlei, ook geestelijke, zonden aan. Verg. ook Loofs, D. G4. bl. 696. Holl, Luther» Rechtfertigungslehre 1516, Zeits. f. Th. u. K. 1910 bl. 265, en deel III 86 v *) t a. p. I 73, 74.

Sluiten