Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan de mensch door het betere inzicht van het geloof zich te bevrijden had x).

De Gereformeerde theologen trachtten gewoonlijk beide uitersten te vermijden, en bedienden zich daartoe al spoedig van de onderscheiding tusschen eene justificatio activa en passiva. Bij de Hervormers vindt men deze distinctie nog niet, zij spreken gewoonlijk van de rechtvaardigmaking in sensu concreto 2), handelen niet over eene rechtvaardigmaking van eeuwigheid, in de opstanding van Christus, in het Evangelie, vóór en na het geloof, maar vatten alles in het ééne begrip samen. Vandaar dat zij in sommige van hunne uitspraken steun bieden aan hen, die de rechtvaardigmaking vóór het geloof plaatsen3), maar met niet minder recht kunnen aangehaald worden als voorstanders van het gevoelen, dat de justificatie steeds geschiedt door en uit het geloof4). Maar toen het nomisme en antinomisme opkwam, zag men zich tot begripsontleding verplicht, en onderscheidde men eene justificatio activa en passiva, om beide dwalingen te vermijden. Eenerzijds werd het

) ^ erg. deel I 179, 180 en deel III 601—615, en voorts nog over Verschoor: Kromsigt, liet Antinomianisme van Jacobus Verschoor, Troffel en Zwaard 1906 bl. 205-236, 272-289, 1907 bl. 1-21. 188-202. Over Pontiaan van Hattem : ld., Het Antinomianisme van Pontiaan van Hattem, ib. 1910 bl. 309—326, 371—381 1911, bl. 31—45. Ook de Zwijndreclitsche Nieuwlichters leerden, dat God niet toornt maar eeuwiglijk liefheeft, en dat Christus ons dit heeft geopenbaard; Christus verlost ons dus van den waan en de vrees, dat God toornt en straft, ■en daardoor verzoent Hij ons met God (niet God met ons); het geloof aan Jezus' prediking, dat God liefde is, rechtvaardigt ons dus en doet ons Hem navolgen, G. P. Marang, De Zwijndrechtsche Nieuwlichters. Dordrecht 1909 bl. 190.

Dit erkent ook Comrie, Brief over de Regtvaardigmaking des zondaars. Nieuwe Uitgave. Utrecht A. Fisscher 1889 bl. 22.

3) Comrie beroept zich voor zijn gevoelen niet alleen op Luther, maar ook op vele kerkvaders, Roomsche theologen, Protest, confessies, en Geref. schrijvers, t. a. p. bl. 1—67. Verg voorts ook Luther en Calvijn, boven aangehaald; over Melanchton, Ritschl, Rechtf. u. \ ers. I2 185, 186, over Olevianus, Heppe, Dogm. des deutschen Protest. II 315. enz., en voorts zijn dergelijke uitspraken te vinden bij Ursinus, Hyperius, Pareus, Tossanus enz.

, Zie. \\ olk van Getuigen voor de leere der Rechtvaardiginge door en uit liet geloove, in 1759 tegen Brahe anoniem uitgegeven door Petrus Boddaert. J. J. Schultens, Uitvoerige Waarschuwing op den Catechismus van den Heer ■Comrie 1755 bl. 515 v. 741 v. J. van den Honert, Verhandeling van de rechtvaardiging des zondaars uit en door het geloof, en andere werken van Van der Sloot, Theoph. van Heber, Ivennedy bij Moor, Comm. IV 668. M. Vitringa, Doctr. III 297, 298. Ypey, Gesch. der Chr. Kerk in de 18e eeuw VII 313—327.

Sluiten