Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rekening en schenking van Christus en al zijne weldaden van Gods zijde plaats, eer de bijzondere personen komen tot het geloof. Bepaaldelijk heeft die toerekening en schenking plaats in de vocatio interna, en de wedergeboorte is de passieve aanvaarding van deze gave der genade. God moet ook eerst geven, opdat wij zouden kunnen ontvangen. De allereerste genade, welke ons wordt geschonken, onderstelt reeds de toerekening van Christus, want deze is de eenige bron der genade, de verwerver en uitdeeler van den Geest, die zijn Geest, de Geest van Christus is. Eene vreemde is dus de gerechtigheid, die de grond der rechtvaardiging is, slechts in zekeren zin. Zij is de gerechtigheid van het hoofd maar daarom ook van al de leden, van den middelaar maar dus ook van al de bondgenooten.

475. Indien nu niet het geloof in zijne qualiteit en werkzaamheid, maar de toegerekende gerechtigheid van Christus de grond van onze rechtvaardigmaking is, komt met des te meer nadruk de vraag op, welke plaats het geloof dan toch in deze weldaad inneemt. A\ ant dat de Schrift het geloof ten nauwste met de justificatie in verband brengt, lijdt geen twijfel; het geloof wordt tot gerechtigheid gerekend, Gen. 15:6, Rom. 4:3, Gal. 3:6; de rechtvaardige leeft uit het geloof, Hab. 2:4, Rom. 1: 17, Gal. 3:11; de gerechtigheid Gods wordt geopenbaard door het geloof, Rom. 3:22; en wij worden gerechtvaardigd door het geloof, Rom. 3:26, 5:1, 10:4, 10, Gal. 2:16, waar zelfs staat: wij hebben in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden, Gal. 3 : 6—18, 22—24, verg. ook Hand. 10 : 43, 13 : 39, Hebr. 10 : 38 enz. En altijd is daarmede het zaligmakend geloof bedoeld, dat den persoon van Christus met zijne weldaden tot object heeft, hetzij deze in de dagen des O. T. als zaad Abrahams beloofd werd, Gal. 3 :16, of ook in de volheid des tijds in het vleesch verschenen, gestorven en opgestaan is, Rom. 8: 34. Met deze vraag naar de plaats van het geloof in de rechtvaardigmaking hangt dan terstond die andere vraag ten nauwste samen, of de rechtvaardigmaking plaats heeft in de eeuwigheid of in den tijd, en, indien het laatste, of ze geschiedt in den dood of de opstanding van Christus, in de prediking van het Evangelie, vóór of tegelijk, met of na het geloof?

Het eerste werd gesteld door de eigenlijke antinomianen, zooals Pontiaan van Hattem en de zijnen. Volgens hen was de rechtvaardigmaking niets anders dan de liefde Gods, welke om de zonde

Sluiten