Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerechtigheid heeft aangebracht, waarop wij rusten kunnen in leven en in sterven, en die op geenerlei wijze door ons behoeft aangevuld of vermeerderd te worden. De vergeving van al onze zonden wordt ons geschonken om niet; God stelt zich van zijne zijde vrijwillig, uit ongehoudene ontferming, tot ons in relatie, neemt ons in weerwil van al onze overtredingen door Christus in zijne gemeenschap op, en verzekert ons van zijne eeuwige en onveranderlijke gunst. Hij richt uit loutere genade zijn verbond met ons op, opdat wij daarna naar den eisch van dat verbond zouden wandelen; de religie wordt de grondslag der moraal. Ten andere verklaart zij, waaraan de geloovige het recht en de vrijmoedigheid ontleent, om zich deze weldaad toe te eigenen. Yan Roomsche zijde werd tegen de fides specialis, gelijk de Reformatie ze verstond, de bedenking ingebracht, dat het Evangelie niemand met name noemt, en dat dus iemand, die geloofde, sibi remissa esse peccata, dit geloof niet aan het Evangelie, maar alleen aan zichzelven ontleenen kan. En inderdaad hebben velen in lateren tijd, toen de geloofskracht der Reformatie verzwakte, den weg van het zelfonderzoek ingeslagen, om alzoo van de oprechtheid van hun geloof en van hunne zaligheid verzekerd te worden. Daarmede werd het zwaartepunt uit de belofte Gods in de bevinding van den vrome verlegd. Maar indien wij de beteekenis der justificatio activa recht verstaan, treedt de zaak voor ons in een ander licht. Niet wij komen na zelfonderzoek met de oprechtheid van ons geloof in de vierschaar Gods, om daar vergeving van zonden te ontvangen: God spant geene vierschaar in den hemel bij zichzelven, om partijen aan te hooren en daarna uitspraak te doen, eene voorstelling, die volgens Comrie al te anttropomorphistisch en Gode onwaardig is 1). Maar Hij zelf komt tot ons in het Evangelie, met het algemeene aanbod der genade, en geeft aan ieder mensch het recht, om de vergeving der zonden met een geloovig hart aan te nemen, en de speciale toeëigening komt niet als een vreemd element van buiten af aan dat algemeene aanbod bij, maar ligt erin opgesloten en is er slechts eene individueele toepassing van: generalis evangelii promissio includit specialia 2). Zoo ligt dus de grond des geloofs buiten ons in de belofte Gods; wie daarop bouwt, zal niet beschaamd worden.

Ten derde maakt de genoemde onderscheiding het ons mogelijk

*) Comrie, Brief 158.

2) Verg. reeds boven bl. 175, en voorts Dorner, Chr. Gl. II 749—750.

Sluiten