Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaamheid, gelijk bij Paulus het woord óixaiovv afwisselt met loyi^eaiïai tig óixaiodvvrjv x); en nog juister is het, om de twee deelen der rechtvaardigmaking te laten bestaan in de vergeving der zonden en in de toekenning van het recht ten eeuwigen leven, wijl deze weldaden op de toerekening van Christus' gansche gehoorzaamheid gebouwd zijn -). Als tweede deel werd soms ook genoemd de aanneming tot kinderen 3), maar anderen, zooals Martyr 4), beschouwden deze liever als eene vrucht der rechtvaardigmaking.

AVat nu de vergeving der zonden aangaat, deze bestaat niet in de wegneming van de smet der zonde, gelijk Rome beweert, inzooverre het de rechtvaardigmaking laat bestaan in de infusio gratiae en de vergeving van de heiligmaking laat afhangen. Zij bestaat ook niet alleen in de wegneming van de reatus culpae, d. i. feitelijk in de bevrijding van de eeuwige straf, terwijl de straf voor de peccata venialia, na de infusio gratiae begaan, door den mensch zelf hier of hiernamaals in het vagevuur geboet moet worden; want schuld en straf zijn correlate begrippen 5). Doch de vergeving, welke een deel der rechtvaardigmaking is, is niets minder dan de volkomen kwijtschelding van alle schuld en van alle straf der zonde, en niet alleen van de verledene en tegenwoordige, maar ook van de toekomstige zonden. Sommigen hadden, uit vrees voor het antinomianisme, tegen deze rijke en breede opvatting van de vergeving bezwaar, en beperkten ze daarom tot de kwijtschelding van de schuld der verledene en telkens beledene zonden 6), met beioep ook op Mt. 6:12, 1 Joh. 1:9, 2:1 enz. Tegenover het antinomianisme verdedigden zij eene belangrijke waarheid. Feit is, dat de geloovigen na ontvangene vergeving nog in velen struikelen, soms zelfs in grove zonden vallen, en allerlei wederwaardigheden in het leven als straf blijven ondervinden. Rome meent hieruit te mogen afleiden, dat de geloovigen nog zelf voor hunne peccata

') \ erg. Heid. Catech. vr. 60. Thysius, Synopsis pur. theol. XXXIII 8.

•) Voetius, Disp. V 279 v. Turretinus, Th. El. XVI 4.

•!) Turretinus, Theol. El. XVI 6. Ritschl, Rechtf. u Vers. III 90. Pfleiderer, Der Paulin. bl. 189. Holtzmann, Neut. Theol. II 124.

4) Martyr, Loei C. bl. 354. M. Vitringa, Doctr. III 324. Verg. ook James Orr, Sidehghts on Christian doctrine, Londen Marshall z. j. bl. 157. Candlish in Hastings' D. B. I 41.

■') Tot deze leer van Rome viel ook Hengstenberg terug en kwam zoo tot zijne ethische rechtvaardigingsleer, Bomer, Chr. Gl. II 740, 770, 772.

Rivetus, Op. III 1099. Piet et, Christ. Godg. XI 11, 3.' Brakel, Red. Godsd. XXXIV 53—62. LVI 6, 62, e. a., verg. M. Vitringa, Doctr. III 313.

Sluiten