Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het koninkrijk Gods, allen arbeid en moeite zeer verre overtreft, Mt. 5 . 46, 19 : 29, 20 : 1 v., 25 : 21—23, Luk. 12 : 33, dat de gerechtigheid, de vergeving en het eeuwige leven goederen zijn, welke door God geschonken worden, Mt. 6 : 33, 26 : 28, Mk. 10: 30, Luk. 1: 77, -4. 41, niet aan de rechtvaardigen, maar aan de armen van geest enz., Mt. 5 :1 v., 9:13, 18:3, 11 enz., dat de geloovigen zeiven die goederen beschouwen en ontvangen als iets, dat hun onverdiend te beurt valt, Mt. 25 : 37 v., dat zij onnutte dienstknechten zijn, die slechts deden wat zij schuldig waren te doen, Luk. 17 :10, dat het loon van Gods vrije beschikking afhangt, Mt. 20:14, 15, en als deelgenoot aan het hemelrijk en zijne goederen voor allen gelijk is, Mt. 20 : 1 15, en dat eindelijk dat koninkrijk niet louter een gelukstaat van uitwendige zegeningen is, maar dat het het kindschap Gods en de reinheid des harten insluit, Mt. 5:8, 9, 45, 48 enz.

Nadat Christus zijn werk op aarde had volbracht, werd Hij verheerlijkt aan de rechterhand Gods en deelde Hij zichzelven op den Pinksterdag door den Geest aan zijne gemeente mede. Deze Geest was in den eersten tijd vooral de auteur van buitengewone gaven en krachten, maar van den aanvang af wekte Hij in de gemeente toch ook allerlei deugden van geloof en lijdzaamheid, troost en blijdschap. En meer en meer werd Hij dan in het apostolisch onderwijs voorgesteld als degene, die tusschen Christus en zijne gemeente de gemeenschap tot stand brengt en in stand houdt, en die Christus zelf in haar wonen en werken doet1). Geloovigen zijn menschen, die niet alleen uit genade vergeving der zonden hebben ontvangen, maar die ook door den doop met den gestorven en opgestanen Christus in gemeenschap zijn gebracht, Rom. 6:3—11, uit de duisternis in het licht zijn overgezet, Col. 1:13, en nu een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk vormen, 1 Petr. 2 : 9. Zij hebben Christus ontvangen als öixcaoavvrj, maar ook als dyiaofiog (niet heiligheid, dytorrjg, dyiwffvvr/, maar heiligmaking, zoodat niet het resultaat, maar de voortgang van de heiliging of de toewijding aan God is bedoeld, cf. vs. 22, 1 Th. 4:4,1 Tim. 2.15, Iiebr. 12:14); zijn in een staat van heiligheid overgebracht, 1 Th. 4.4, 7, 2 Th. 2 :13, 1 Petr. 2:9, en zijn dus gewasschen, en geheiligd, 1 Cor. 6:11, tempelen des H. Geestes, 1 Cor. 3: 16, 6 : 19, 2 Cor. 6:16, met den Geest verzegeld tot den dag der belofte, 2 Cor. 1: 22, 5:5, Ef. 1:13, 4 : 30, nieuwe schepselen, 2 Cor.

J) Verg. deel III 566—573.

Sluiten